Wat is de betekenis van voeren?

2024-02-25
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

voeren

voeren - Werkwoord 1. geleiden, ergens heen brengen De gijzelaar werd geblinddoekt naar het schavot gevoerd''. 2. kleding aan de binnenkant van een isolerende laag voorzien Deze jas is met bont gevoerd. 3. (veeteelt) dieren te eten geven ...

2024-02-25
Historische collectie Nederland

Rijksdienst voor het cultureel erfgoed (2019)

voeren

Aanbrengen van spreidsel of voering tussen kinderbinten en vloerdelen, opdat de naden tussen de vloerdelen van onderaf niet zichtbaar zullen zijn. Het bestek van het stadhuis van Delft uit 1618 geeft hiervoor aan dat gebruikt moeten worden wagenschotbladen, niet minder dan 9 duim breed, drie uit een duim dik, glad geschaafd en gespijkerd op elke vo...

2024-02-25
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

voeren

voeren - regelmatig werkwoord uitspraak: voe-ren 1. in een bepaalde richting gaan ♢ de trein voerde ons naar het zuiden 1. dat voert te ver [dat gaat te ver, dan dwalen we te veel af] ...

2024-02-25
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans (2014)

voeren

sarren, voortdurend op de kast jagen met kleine hatelijkheden: Een week lang behield hij zijn standvastig gevoel, al sarden en ‘voerden’ de kameraden ook nog zoo fel, QUERIDO 1, 354.

Wil je toegang tot alle 18 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-25
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

voeren

(voerde, gevoerd) een voertuig besturen, rijden, brengen, vervoeren, afleveren. - iemand voeren, iemand wegbrengen, naar huis brengen, iemand vervoeren. - iemand naar huis voeren, iemand naar huis brengen. Het moet gezegd, een deel van de leden van DUS! stapten uit onvrede op bij de Responsible Young Drivers. ‘Wij willen iets a...

2024-02-25
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

voeren

voeren - Beschrijft de actie van het geven of leveren van voedsel aan een ander.

2024-02-25
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

voeren

1. Met een voertuig, thans inz. een motorvoertuig als object: besturen, rijden; m. betr. t. een trekdier: mennen; - met subjectsverwisseling ook van trekdieren: trekken. Louis voerde ... zijn fikschen lichten stapper in de gangen, STREUVELS, Vlaschaard 31 (1907). Met voorzichtige voeten, den kruiwagen zacht voerend ..., kwamen ze voorbij he...

2024-02-25
ABC van de Hengelsport

Van Onck (1972)

Voeren

Voeren - Weer een onderwerp, waarvan een volledige behandeling hier tot de onmogelijkheden behoort. Toch kan ik u ruim voldoende wenken geven om u zoveel variatie te bezorgen, dat u onder alle omstandigheden de beste voermethode kunt toepassen. Mag ik beginnen met een wet te ge¬ven, waarvan u zich slechts in een zeer enkel geval mag onttrekken:...

2024-02-25
De vreemde woorden

Fokko Bos, Dr. O. Noordenbos (1955)

Voeren

(Barg.) lokken, meetronen; op stang jagen

2024-02-25
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Voeren

1. v.; (voederen), fuorje. 2. v.; (van voering voorzien), fuorje; een jas —, in jas (bi)fuorje. 3. v.; (leiden), fiere.

2024-02-25
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

voeren

I. voerende, h. gevoerd (voederen, inz. v. vee): de kippen voeren, het vee voeren. II. voerde, h. gevoerd (1 leiden: 2 vervoeren): 1. zij voerden hem naar het fort; dat zou mij te ver voeren; wat voert u naar M. hierheen? 2. waren naar de stad voeren; nog: het bewind voeren, besturen; oorlog voeren, in strijd zijn; een proces voeren, procederen; h...

2024-02-25
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

voeren

(‘voerən) (voerde, heeft gevoerd) I. 1. samentrekking van voederen : het vee -. 2. Uitbr. te eten geven : een kind -. II [~ varen] 1. vervoeren : eetwaren naar huis -. Syn. → brengen. 2. leiden : iemand naar de gevangenis -. → altaar. 3. aan het hoofd staan van : het bewind -. 4. in zijn macht hebben : het bevel -. 5. ermede...

2024-02-25
De vreemde woorden

Fokko Bos (1914)

voeren

voeren - (argot), lokken, meetronen.

2024-02-25
Keur van Nederlandsche woordafleidingen

J.Pluim (1911)

Voeren

(vervoeren): caus. van varen (z. d. w.) = gaan.

2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Voeren

Het begrip voeren heeft 3 verschillende betekenissen: 1. voeren - VOEREN - (voerde, heeft gevoerd), voederen (van vee); de pomp voeren, van water voorzien. 2. voeren - VOEREN - (voerde heeft gevoerd), vervoeren: waren naar de markt, uit het land, iem. over eene rivier voeren ; — leiden : iem. bij de hand voeren; iem. naar de gevangenis voer...

2024-02-25
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Voeren

zie Brengen.

2024-02-25
Zeemans woordenboek

Jacob van Lennep (1865)

Voeren

b.w. - Dragen, houden, laden, opsteken. Dat schip kan zijn heele lading niet voeren. Dat oorlogschip is gebouwd om 100 stukken te voeren. Dat schip Voert slecht zeil (de zeilen staan slecht by). Twee reeven in de marszeils voeren. De Amiraalsvlag voeren.Spreekwijze: Een groot schip voeren (een zaak van gewicht by de hand hebben.)

2024-02-25
Etymologicum 1573

Cornelis Kiliaan (1573)

Voeren

Vehere, subuectare, ferre, deferre: gerere, portare, ducere, deducere: ductare: comitari.