Maag betekenis & definitie

1. Maag v. (magen), zakvormige verwijding van het spijsverteringskanaal tusschen den slokdarm en den dunnen darm, waarin de spijzen een tijdlang worden opgehouden en door de inwerking van het maagsap ten deele omgezet worden; eene goede, gezonde, sterke maag hebben, eene goede spijsvertering genieten; — eene zwakke maag, die niet veel verdragen kan; — met eene volle maag gaan slapen, als men pas gegeten heeft; de maag overladen, te veel eten; de maag bederven; — (spr.) de kat zal met zijn maag niet wegloopen, hij heeft zeer veel gegeten; — honger maakt eene grage maag, honger doet eten; — met eene hongerige maag van tafel gaan; — t oog is grooter dan zijn maag, van een gulzigaard gezegd; — het blijft op (de klep van) mijn maag liggen, de spijsvertering werkt niet goed; — iem. iets in de maag stoppen, duwen, het hem te duur verkoopen; —hij zit er mee in zijn maag, hij kan het niet kwijt raken; — met dien toast zit hij in zijn maag, hij ziet er erg tegen op; — dat zit, ligt hem dwars in de maag, daar zit hij mee verlegen; (ook) daar is hij boos over. MAAGJE, o. (-s).

2. Maag m. en v. (magen), bloedverwant; hij heeft vriend noch maag; man en maag te hulp roepen.

Laatst bijgewerkt 19-09-2018