Mensch betekenis & definitie

Mensch m. (-en), een tot de klasse der zoogdieren behoorend schepsel, dat zich inz. door zijn rede en zijne taal van andere dieren onderscheidt; redelijk wezen; persoon: God schiep den mensch naar zijn beeld; een jong, volwassen, oud mensch; hij bekommert zich niet om het oordeel der menschen; geen mensch, geen mensch ter wereld weet het, niemand; — (spr.) alle menschen moeten leven, men moet niet te veel willen hebben; — de mensch wikt, maar God beschikt; — men ziet er God noch goed mensch, men ziet er niemand; — menschen wachten, bezoek, gasten; — menschen zien, niet afgezonderd leven, bezoeken ontvangen, gasten vragen; onder de menschen gaan, in betrekking gaan; — onder de menschen komen, uitgaan, aan het gezellig verkeer deelnemen; — een mensch is geen steen, (ook) geen stokvisch, heeft gevoel; — inz. in tegenstelling met het dier: het edelste schepsel Gods, het hoogste wezen der schepping: tracht een mensch te zijn; dat is beestachtig, zoo doet geen mensch; het dierlijke in den mensch; — (ook) met het oog op de onvolkomenheid, zwakheid enz. in tegenstelling met God of ideaal: ik ben maar een mensch van vleesch en bloed als iedereen; ik ben een mensch en niets menschelijks is mij vreemd, hij kan natuurlijk dwalen; hij is ook maar een mensch; — ik ben geen half mensch meer, ik ben op van vermoeidheid, ik kan niet meer; — geen mensch meer zijn, niets menschelijks meer hebben, tengevolge van ziekte, overdaad enz.; — (theol.) de oude mensch, de aangeboren natuur: den ouden mensch afleggen, uitdoen, zijn zonden afleggen, zich zedelijk beteren; de nieuwe mensch, die door Gods genade is wedergeboren; de inwendige mensch, de geest; (scherts.) den inwendigen mensch versterken, eten; — de zoon des menschen, Christus; — o. in medelijdenden of minachtenden zin, vooral van vrouwen: het arme mensch is doodziek; dat slechte mensch is onze achting onwaardig. MENSCHJE, o. (-s).