Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VOLK

betekenis & definitie

VOLK - o. (-en, -eren), menigte, verzameling van menschen : er is veel volk op de been, op straat; er was veel volk op de markt; het volk liep te hoop ;

— eene klasse van menschen die sommige eigenschappen gemeen hebben: het jonge volkje; dat is een raar, een leelijk volkje; het bedelvolk;
— (spr.) hoe later op den avond, hoe schooner volk, scherts, gezegd tegen late bezoekers ;
— arbeiders : veel volk in zijn dienst hebben ; het volk aan ’t werk zetten, vrijgeven, ontslaan;
— (spr.) hij kent zijn volkje, hij weet hoe hij er mee moet omgaan ;
— de meester en meesteres van dienstboden: mijn volk is op reis; bij groot volk dienen;
— onder eigen volk, en familie, zonder gezelschap van vreemden ;
— bezoek : er is volk binnen; er komt volk over;
— klanten, koopers in een winkel: er staat veel volk in den winkel; waar het volk is, is ook de nering; volk ! uitroep om zijne komst in een winkel enz. aan te kondigen ;
— krijgsvolk : bij welk volk dient hij ?, bij het paardenvolk of het voetvolk ?; scheepsvolk;
— de lagere standen eener natie : een man uit het volk ; lectuur voor het volk; de leiders van het volk ; het gemeene volk; de heffe des volks, het gepeupel;
— bewoners van een land die afstamming, taal, zeden, overlevering gemeen hebben en al of niet onder één hoofd vereenigd zijn : de volken der aarde ; het Duitsche, het Nederlandsche volk;
— bewoners van een zelfde land, onder dezelfde wetten levende : het Oostenrijksche, het Belgische volk ; Gods volk, de Joden ; een zeevarend, een handeldrijvend volk; een actief volk, dat de beschaving vooruitbrengt; een passief volk, dat op denzelfden trap van ontwikkeling blijft staan. VOLKJE, o. (-s), klein volk; (fig.) kinderen : is het volkje nog op ?