Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

SPEL

betekenis & definitie

SPEL - o. (-en), levendige, vlugge beweging, flikkering : het spel der oogen;

— het spel der gebaren, aanduiding van iets door gebaren;
— kleurenspel, speling der kleuren;
— spel der verbeelding;
bezigheid tot vermaak of uitspanning van zichzelf of van anderen, benevens datgene waarmede men zich vermaakt: dam-, kegel-, kien-, schaakspel; de spelen der kindsheid; het spel van den goochelaar, van den hansworst, hun kunstgrepen, poetsen;
— (spr.) het is maar spel, het is niet uit ernst;
— een spel met iem. drijven, hem voor den gek houden;
— een spel van wind en golven zijn, op de onstuimige zee rondzwalken;
— dat komt mede in het spel, dat moet er bij gerekend worden;
— dat blijft buiten spel, wordt niet medegeteld;
— buiten spel blijven, niet meedoen;
— de hand mede in ’t spel hebben, er ook bij betrokken zijn;
— de duivel is mede in ’t spel, het loopt verbazend tegen;
— iem. vrij spel laten, de noodige vrijheid laten;
— het spel breken, de zaak bederven;
— dat was voor hem een spel, eene kleinigheid, hij deed dat zonder moeite;
— hij maakt van alles een spel, hij durft alles ondernemen, (ook) niets neemt hij ernstig op;
— het bespelen van een of ander muziekinstrument: vioolspel, klokkenspel; een meesterlijk spel; een geacheveerd spel; zijn spel werd algemeen bewonderd;
— (bij de Ouden) wedstrijd: de Olympische, Korintische of Isthmische spelen;
— opvoering van een tooneelstuk, stuk dat opgevoerd wordt: blij-, treurspel;
— wijze waarop dat geschiedt: het spel van dien acteur was bijna volmaakt;
— eene bezigheid tot ontspanning die volgens zekere regels plaats heeft en waarbij men gewoonlijk geld waagt, kansspel: bij ’t spel winnen, verliezen;
— in *t spel gelukkig zijn, daarbij winnen;
— aan het spel verslaafd zijn, er niet buiten kunnen;
— welk spel speelt gij liever: biljartspel of trictrac ?;
— dat wat men bij het kansspel waagt, de inzet: 10 gulden op ‘t spel zetten;
— (fig.) zijn naam, zijn leven, alles op ’t spel zetten, ergens bij wagen;
— iem. vrij spel laten, alle vrijheid laten;
— manier waarop men speelt; dat was uw spel, mijn spel zou zijn...;
— de kaarten, punten enz. die men wint: het spel winnen; zijn spel gewonnen geven, (ook fig.) verklaren dat men het verloren heeft;
— gewonnen spel hebben, iets gewonnen, zijn doel bereikt hebben;
— stand tijdens het spel ten opzichte der medespelers: het spel voor iem. opnemen, uitspelen; een mooi, sterk spel hebben, het gemakkelijk kunnen winnen;
— zijn spel staat leelijk, is zwak, hij heeft weinig kans te winnen;
— een gewaagd, een gevaarlijk spel hebben, (fig.) veel kans hebben het te verliezen;
— hij heeft het spel in handen, hij is meester van het spel. hij kan het winnen als hij wil. (fig.) hij is de baas, kan het regelen zooals hij wil;
— het was, alsof het spel sprak, alsof het zoo moest wezen;
—.
(-len), partij die men speelt: wij hebben twee spellen gedaan; nog een spelletje maken?,
— stel kaarten waarmee men speelt: eens gebruikte spellen kaart te koop; aan dit spel ontbreken eenige kaarten.;
— die spellen zijn in orde, daaraan ontbreken geene kaarten;
— goedkoope spellen voor de winteravonden;
— plaats waar iets gespeeld, vertoond wordt, tent: op de kermis zijn vier spellen; de spellen worden opgeslagen, afgebroken; een paardenspel; een honden- en apenspel; naar 't spel gaan;
— gereedschap, voorwerp, ding enz. (gewoonlijk spullen genoemd).
...SPELLETJE, o. (-s).