Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Geslacht

betekenis & definitie

Het begrip geslacht heeft 2 verschillende betekenissen:

1. geslacht - GESLACHT, o. het geslachte vee de belasting op het gemaal en het geslacht.

2. geslacht - GESLACHT, o. (-en), de gezamenlijke personen die uit een gemeenschappelijken stamvader zijn gesproten, stamhuis, familie: dit is het boek van Adams geslacht (Gen. 5 1); adellijke geslachten; hij behoort tot een oud geslacht; hij is de roem van zijn geslacht; de mensch is van Gods geslacht, omdat God hem geschapen heeft naar Zijn beeld;
— alle wezens die van nature tot dezelfde soort behooren: het gansche menschelijke geslacht;
— (plantk. en dierk.) eene groep van verwante soorten het geslacht der honden omvat verscheidene soorten;
— (bijb.) de gezamenlijke personen die op een bepaald tijdstip uit het geheele menschdom voortkomen, eene generatie: alle de geslachten van Abraham tot David zijn veertien geslachten; het tegenwoordige geslacht; een nieuw geslacht; het opkomend geslacht;
— kunne, sekse een kind van het manlijk geslacht; het schoone (teedere, zwakkere) geslacht, de vrouwen;
— (taalk.) de bepaalde soort van een naamwoord met betrekking tot zijne verbuiging: het manlijk, het vrouwelijk en het onzijdig geslacht;
— het spraakkunstig of grammatisch geslacht, het geslacht dat men in de wetenschap aan de woorden toebedeelt, in tegenstelling van het natuurlijk geslacht, het natuurlijk onderscheid tusschen manlijke en vrouwelijke wezens.