Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

Haan

betekenis & definitie

HAAN, m. (hanen), het mannetje bij de meeste hoenderachtige vogels, inz. dat van het tamme hoen zes kippen met een haan;

— een Engelsch haantje, een krielhaantje;
— een gesneden haan. een kapoen;
hij is baas in ’t kippenhok als de haan er niet is, schertsend van iemand die weinig te zeggen heeft;
— vóór het kraaien van den haan, *s morgens zeer vroeg;
— daar kraait geen haan naar, daar zal niemand ooit iets van te weten komen of over reppen, dat zal nooit uitkomen;
— geen twee hanen op ééne werf, niet twee hoofden in ééne zaak;
— zijn haan moet altijd koning kraaien, hij wil altijd zijn zin doordrijven, zijn zin hebben, hij moet altijd gelijk hebben;
— een goede haan kraait twee keer. (scherts.) laat hem nog maar eens roepen (wanneer men niet terstond komt als men geroepen wordt);
— ’t is kippetjespraat, de haantjes lachen er om, *t is beuzelpraat, gekkenpraat;
— hij stapt als een haan van een stooter, schertsend gezegd als iemand parmantig loopt;
— den gebraden haan uithangen, den grooten heer uithangen;
— den rooden haan laten kraaien (of op het dak zetten), een huis, een dorp enz. in brand steken;
— een haantje, een bijdehand persoon, iemand die zich de kaas niet van het brood laat eten, een nijdig ding: ´t is zoo'n haantje;
— hij is altijd haantje-de-voorste of haantje-vooruit, altijd vooraan als er iets uitgehaald moet worden;
— een windwijzer in den vorm van een haan de haan van den toren; (aan vuurwapens) een gebogen beweegbaar gedeelte bij de pan, dat vroeger den vuursteen droeg en nu den hamer die op slaghoedje of slagpin neerkomt en zoo het schot doet afgaan den haan overhalen, spannen; den haan in rust zetten;
— (aan een kraan) de sleutel, die dient om het al of niet uitstroomen van de vloeistof (of van den stoom) te regelen;
— (in de schijf van een blok of katrol) een vierkant stukje koper waarover de schijf loopt.