Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Engelsch

betekenis & definitie

Het begrip engelsch heeft 3 verschillende betekenissen:

1. engelsch - ENGELSCH, bn. (veroud.) van een engel, van engelen de engelsche groetenis, de groetenis van den engel (het ave Maria);
— (veroud.) de engelsche natie, het engelendom.

2. engelsch - ENGELSCH, bn. van, uit Engeland;
— de Engelsche of Anglikaansche kerk, de staatskerk in Engeland;
— een Engelschen brief schrijven, een middagdutje doen;
— Engelsch draven, zeer snel draven;
— het is Engelsch gaar, half gaar;
— Engelsch gras, fijn plantje met lijnvormige blaadjes op zilte klei groeiend (armeria vulgaris), ook in tuinen gekweekt;
— Engelsche klink, een bijzondere steek in een touw;
— Engelsche mijl, 1609 Meter; Engelsche pleister, taf met eene oplossing van vischlijm en benzoëtinctuur bestreken, dient om wonden af te sluiten;
— Engelsch pluksel, eene verbandstof;
— dat is met den Engelschen schroevendraaier gedaan, gezegd als eene schroef met den hamer in het hout geslagen is
— Engelsche sleutel, schroefsleutel die wijder en nauwer kan gezet worden;
— Engelsche steen, eene kleisoort, tot schuren en polijsten van metalen gebezigd;
— Engelsch zadel, soort van rijzadel;
— Engelsche ziekte, rachitis;
— Engelsch zout, bitterzout of zwavelzure magnesia, als laxeermiddel aangewend;
— Engelsch zweet, eene zweetziekte die den dood gewoonlijk ten gevolge had.

3. engelsch - ENGELSCH, o. de Engelsche taal; spreekt hij Engelsch ? heeft hij geld.