Wat is de betekenis van Haan?

2026-07-13
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Haan

m. (hanen), 1. het mannetje bij de meeste hoenderachtige vogels: een kalkoense haan; fazanten-, kemphaan ; — inz. dat van het tamme hoen: zes kippen met een haan;een Engels haantje, een krielhaantje; een gesneden haan, een kapoen ; — hij is baas in t kippenhok als de haan er niet is, sc...