Haan
m. (hanen), 1. het mannetje bij de meeste hoenderachtige vogels: een kalkoense haan; fazanten-, kemphaan ; — inz. dat van het tamme hoen: zes kippen met een haan; — een Engels haantje, een krielhaantje; een gesneden haan, een kapoen ; — hij is baas in t kippenhok als de haan er niet is, sc...