Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hoen

betekenis & definitie

HOEN, o. (-ders, -deren), benaming voor de hoenderachtige vogels (gallus): de fazanten worden gerekend tot de hoenders; het Numidische hoen, het parelhoen (numida cristata); (inz.) het tamme hoen (gallus domesticus);

— kip, hen: een jong hoen; een gebraden hoentje;
— met de hoendertjes naar het rek gaan, met de kippen op stok, vroeg naar bed gaan;
— zoo frisch als een hoen, gezond en levenslustig. HOENTJE, o. (-s), HOENDERTJES, o. mv.