Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Gaarne

betekenis & definitie

GAARNE, ook GAARN, GEERNE, bw, (van omstandigheid) met genoegen, met lust: ik zie gaarne vroolijke menschen; ik wilde u gaarne spreken;

vol gaarne, met zeer veel genoegen;
— van harte gaarne, met een hartelijk genoegen, met heel veel genoegen;
niet gaarne, met tegenzin, liever niet;
— iem. of iets gaarne mogen (lijden), veel van den persoon of de zaak houden, er veel mee op hebben;
— iets gaarne zien, het met genoegen zien, het aangenaam vinden; of wel, wenschen dat het zoo zijn zal;
— (Zuidn.) iem. of iets gaarne zien, veel van iem. houden;
— (fig ) iets gaarne hebben, er op gesteld zijn, het zeer begeeren of willen (van zaken, toestanden of feiten waarin men zeker behagen schept of genoegen vindt);
— (fig.) bereidwillig, zonder zwarigheden te maken: ik neem het gaarne aan, ik geloof, beken het gaarne.