Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Werk

betekenis & definitie

o. (-en),

1. het werken, arbeiden, zuiver als handeling : aan het werk gaan, beginnen te arbeiden ; zich aan het werk zetten; van het werk vermoeid zijn ; onder het werk mag er niet gerookt worden ; het werk staken, er mede ophouden, inz. een werkstaking houden; — met betr. tot de aard van hetgeen verricht moet worden en de inspanning die het eist: een zwaar, een moeilijk werk; licht, gemakkelijk werk ; grof, fijn werk ; vgl. brei-, naai-, machinewerk;dat is het werk van een ogenblik, dat is zó gebeurd ; — als bezigheid, bep. die waarvan men leven moet: werk hebben ; zonder werk zijn ; werk zoeken, arbeid zoeken; met werk overladen zijn, zeer veel te doen hebben ; — er is (veel) werk aan de winkel, er valt veel te doen; —

in enkele uitdr.: te werk gaan, handelen, behandelen: hoe gaat gij daarbij te werk?, op welke wijze doet gij dat ? met strengheid te werk gaan, strengheid toepassen ; eerlijk, openhartig te werk gaan, aldus handelen ; (Zuidn.) te werk gaan, te keer gaan, veel misbaar maken ; —iets in ’t werk stellen, aanwenden; — (fig.) veel werk van iem. of iets maken, veel moeite, tijd, zorg aan iem. of iets besteden: hij maakt veel werk van het corrigeren, doet dit nauwgezet; zij maakt veel werk van haar kleding; werk van een meisje maken, haar het hof maken: — werk van iets maken, de vereiste stappen doen om iets te verkrijgen of te bewerkstelligen ; als je volgende week je abonnement wilt hebben, mag je er nu wel werk van maken ; ik bezorg hun plaats in gindse kerk, en maak van doodkist, klok, en zielmis werk (Staring); — lang werk hebben, niet spoedig gereed zijn, niet opschieten; — (meton.) plaats waar men werkt: niet op het werk komen ; naar zijn werk gaan ; —

2.arbeid, wat gedaan, verricht, gemaakt is of moet worden, taak, resp. gewrocht, voortbrengsel van arbeid: zijn werk doen, verrichten ; dat is een heel werk ; die brug is een groots werk, werk voor school maken’, werk op krijgen, opgeven; zijn werk maken; een werk aannemen; — dat is mijn werk niet, is niet aan mij opgedragen; ook: dat kan ik niet; — (spr.) als elk zijn werk doet, dan worden de ganzen (of koeien) ook gewacht, elk doe zijn taak, dan gaat alles wel; — publieke werken, van publiek belang ; — (spr.) het werk looft de meester; het einde kroont het werk, zie Einde; — in samenst. vooral hetgeen gebouwd, aangelegd is; vgl. bouw-, haven-, vesting-, waterwerk;
3.daad (met gedachte aan hetgeen deze teweegbrengt): een goed werk; de werken van barmhartigheid; de werken Gods; een werk der duisternis, snode daad; vgl. liefdewerken; het werk des vleses, de bijslaap, coitus ; — dat is het werk van..., dat heeft de genoemde gedaan of bekokstoofd ;
4.(in een bijz. toepass.) gewrocht van de geest, van de kunst: de werken van een schrijver, zijn geschriften, boeken; een werk over iets uitgeven, schrijven; de volledige werken van Darwin; geneeskundige, klassieke werken;de werken van een beeldhouwer, wat hij gebeeldhouwd heeft; de werken van een toonkunstenaar, wat hij gecomponeerd heeft; de werken van een schilder, zijn schilderstukken;
5. mechanisme, bewegende toestel: het werk van dit horloge is nog goed; het gaande werk in een molen;
6. (zeew.) lopend werk, staand werk, de losse, resp. vaststaande touwen ; — levend werk, deel van een schip dat zich in het water bevindt; dood werk, dat deel dat zich boven het water bevindt.