Werk
o. (-en), 1. het werken, arbeiden, zuiver als handeling : aan het werk gaan, beginnen te arbeiden ; zich aan het werk zetten; van het werk vermoeid zijn ; onder het werk mag er niet gerookt worden ; het werk staken, er mede ophouden, inz. een werkstaking houden; — met betr. tot de aard van hetgeen verricht m...