Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Einde

betekenis & definitie

o. (-n),

I. m. betr. tot plaats of ruimte.
1. plaats waar iets eindigt, ophoudt, begrenzing (ook grensvlak) tegenovergesteld aan het begin: aan het einde der baan ; het einde van een weg; —een band, riem zonder eind, waarvan de uiteinden aan elkaar verbonden zijn (en die aldus over rollen of schijven loopt); papier zonder eind; — het eind is er van weg, er is zo veel, en vand. het is zo erg, dat men het niet overzien, niet beschrijven kan ;
2. het uiterste of meest verwijderde gedeelte, ieder der het verst van het midden gelegen delen, uiteinde: een stok heeft twee einden; hij woont aan het einde der stad; — aan het (andere) einde van de wereld, (fig.) zeer ver weg; — het hoge(r) eind van een tafel, het gedeelte waar de personen zitten die met de meeste onderscheiding bejegend worden ; —(w. g.) die kaars brandt aan beide einden, gezegd van iem. die op dwaze wijze geld of gezondheid verkwist; — zij trekken één lijn, maar ieder aan een einde, schijnbaar gaan zij samen, maar inderdaad werken zij elkander tegen; — niet weten waar het eind (aan) vast is, niet de rechte grond weten, geen begin kunnen krijgen; — hij heeft het bij het rechte eind, ziet de zaak goed in, heeft gelijk; — hij weet de einden (eindjes) niet aan elkaar te knopen, komt te kort, kan niet rondkomen ; — het eind zal de last dragen, op het laatst komen de grote bezwaren pas aan den dag, ofwel: de onaangename gevolgen zal men later pas gewaar worden ; — soms begin : het paard kon niet van het einde (der baan) komen ;
3. overgebleven, afgesneden stuk; stuk van beperkte lengte, stuk: een eind hout, touw ; — zie ook Eindje ; —ook van personen, alleen met lang: wat is die Wim toch een lang eind, wat is hij lang ; — aan het langste eind trekken, in het voordeel, het beste af zijn, (ook) de baas blijven; — aan het kortste eind zijn, in de ongunstigste positie verkeren, het moeten opgeven, het onderspit delven;
4. afstand, stuk weegs: iem. een eind vergezellen; een eind gaan lopen ; dat is een heel eind ; een eind weegs (ook aaneengeschreven); — pregnant voor een grote afstand: dat is een eind hoor ;

II. van de tijd, van handelingen, van het voorhanden zijn ener zaak enz. (tegenover aanvang, begin).

1. tijd, ogenblik waarop of omstandigheid dat iets afloopt, besluit, slot, afloop : het einde van het jaar, van de zomer ; — het einde van de wereld, de ondergang van de wereld; — ten einde lopen, het slot naderen, eindigen ; ook : bijna óp zijn : zijn geduld loopt ten einde, hij wordt ongeduldig ; een eind aan iets maken, het doen ophouden, niet meer toelaten; ten einde brengen, voltooien; — een eind nemen, ophouden te zijn, te bestaan; — in het einde, ten slotte, eindelijk; —van het begin tot het einde, geheel en al; — aan alle ding, aan alles komt een eind (als troost, vermaning);

het is een begin zonder einde, het duurt buitensporig lang. zonder einde, waaraan geen eind schijnt te komen ; — (van zwangere vrouwen) zij loopt, gaat op haar einde, de verlossing is nabij ; — ten einde raad zijn, niet meer weten wat te doen;

2. afloop met betr. tot de omstandigheden : armoede is het einde; het eind kroont het werk ; — iets tot een goed eind brengen, volbrengen, voltooien; — eind goed, al goed, als de zaak maar goed uitvalt (eindigt), vergeet men de moeite en zorg daaraan besteed; — vand. uitslag, resultaat: het einde van de besprekingen is geweest, dat ... ;
3. laatste gedeelte: het eind van het boek is niet zo boeiend; het eind van het liedje, dat waar de zaak ten slotte op uitdraait ; — in het eind, op het laatst, eindelijk; — het begin van liet eind, wat de afloop, inz. de dood, aankondigt;
4. iemands einde, zijn dood: zijn einde vinden in de golven; zijn einde voelen naderen; hij is treurig aan zijn eind gekomen; — iem. aan zijn eind brengen, in zijn laatste levensdagen voor hem zorgen;

zie ook Eindje; —

5. doel, oogmerk; alleen in vaste verb. : tot dat einde; te dien einde ; ten einde (voegw.).