Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

Gepubliceerd op 03-02-2023

vandoen

betekenis & definitie

Nodig, in de verb. iets vandoen hebben; - ook: vandoen zijn, nodig zijn.

Als hij in den dag door den hof rond liep kwam hij veel dikwijlder langs de brouwerij dan het van doen was, CLAES 1933, 168.

Mannen, zei de koning, het is niet vandoen dat ge mee binnen gaat, trekt maar naar uw bed en ge krijgt allemaal een week verlof om uit te slapen, WALSCHAP 1935, 54.

Die jongen heeft moederlijke zorgen van doen, BRULEZ 1950, 111.

De meester heeft een lange tijd vandoen om alle delen in ogenschouw te nemen, TEIRLINCK 1952, 1, 85.

’s Is maar sedert enige jaren dat ik er wat beter voorzit en niet meer vandoen heb te werken, CLAES 1960, 5.

«Ik heb geen uitleg vandoen,» antwoordde ze. «Ik wil naar hem toe, naar mijn zoon», VAN REMOORTERE 1965, 82.

Dag klown in wit en rood en groen, blijf, ik heb u echt vandoen, Vrouw en Wereld mei 1976, p. 36.

Zoals het bij een Roeselaarse «officiële plechtigheid» behoort is een passend openingsceremonieel van doen, met een stedelijke hymne, Weekbode 24/6/1977.

Wij deden in onze tijd alles met de fiets, dat was gezond, maar nu hebben ze allemaal een brommer vandoen of een auto, Bond 27/8/1976.