Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

DIACONAAT

betekenis & definitie

noemt men de van de kerk uitgaande verzorging van hen die hulp behoeven, m.n. armen en zieken. Deze arbeid wordt geleid door diakenen (diakonos = dienaar).

Reeds in het N.T. is sprake van diakenen (Fil. 1 : 1, I Tim. 3 : 8-10; de dikwijls in dit verband genoemde tekst Hand. 6 : 1-6 doelt waarschijnlijk niet op diakenen), aan wie de verzorging van de armen is opgedragen. In de eerste eeuwen blijft dit werk van barmhartigheid, ook ten opzichte van zieken en vreemdelingen, een belangrijk deel van hun taak. Daarnaast helpen zij de bisschop in alles, o.a. bij de cultus en het beheer van de gaven. In de middeleeuwen gaat de verzorging van armen, zieken en ouden van dagen geleidelijk over op kloosters, geestelijke gilden en particulieren (stichting van gasthuizen en hofjes). De voornaamste taak van de diakenen is nu: hulp bij de bediening van de sacramenten. Sinds de Reformatie is diaconaat weer allereerst dienst der barmhartigheid, vooral in de Calvinistische kerken. Calvijn wenste tweeërlei diakenen: de „procureurs” voor het beheer van de goederen en de uitdeling van onderstand, de „hospitaliers” voor het bezoeken en verplegen van zieken (vgl. ook Inst. IV, 3, 9). Ook op het Convent van Wesel is sprake van een dubbel diaconaat. Na de Synode van Dordrecht beperkt het werk van de diakenen zich echter vrijwel geheel tot het inzamelen en uitdelen der liefdegaven en het bezoeken en vertroosten van de behoeftigen (art. 25 der Kerkordening). De diakenen zijn in Ned. Herv. gemeenten met minder dan 3 predikantsplaatsen gewone leden van de kerkeraad. In grotere gemeenten vormen zij een afzonderlijke college en behoren zij enkel tot de algemene (niet tot de bijzondere) kerkeraad. In de Gereformeerde Kerken gelden soortgelijke bepalingen.Na een lange tijd van inzinking valt de laatste 25 jaar een opleving van het diaconaat in de Ned. Herv. Kerk waar te nemen, gestimuleerd door de Federatie van Diaconieën (hoofdbureau Utrecht). Ook kan men spreken van een geheel nieuwe werkwijze. Vóór Wereldoorlog I was de voornaamste taak van de diaconieën: hulpverlening aan behoeftige leden van de gemeente in de vorm van geldelijke onderstand, waarbij men streefde naar volledige en afdoende hulp zonder bijstand van overheidswege. In de bezettingstijd werd het voornaamste: de arbeid der gezinsverzorgsters, kinderuitzendingen, voedselvoorziening aan ouden van dagen, kinderen enz. Onder het motto „door de Kerk voor het Volk” werd — in volledige samenwerking met de andere Nederlandse kerken in het I.K.B. — zoveel mogelijk hulp geboden aan ieder, die zich in nood bevond. Belangrijke arbeid, welke tot nu toe door particuliere verenigingen, buiten kerkelijk verband, werd verricht (men denke aan Christelijk-sociaal werk uit de tijd van het Réveil), werd nauwer met de Kerk en haar organen (de Algemene Diaconale Raad en de Federatie van Diaconieën met maandblad Diakonia) verbonden. Voor de nieuwe arbeid vindt men de taak omschreven in art. 1 van de Ordinantie voor het Diaconaat in de Nieuwe Kerkorde: de zorg voor zieken, chronische patiënten en invaliden; voor zwakken en rustbehoevenden; voor ouden van dagen; hulpverlening aan hen, die sociaal-economisch in moeilijkheden geraken; bijstand bij moeilijkheden in het gezin; zorg voor het verweesde, verwaarloosde en misdeelde kind, het steunen en leiden van hen, die met zedelijke en lichamelijke ondergang worden bedreigd, inzonderheid de bescherming van vrouwen en meisjes enz. Wegens de grote achterstand, welke op dit gebied heerst, werden na Wereldoorlog II reeds door de Hervormde diaconieën in het leven geroepen:

a. Opleidingen voor gezinsverzorgsters of sociale werksters;
b. Tehuizen voor verwaarloosde kinderen, voor rustbehoevende moeders, ouden van dagen en chronische patiënten, terwijl ook aan de stichting van ziekenhuizen en verpleeginrichtingen grote aandacht wordt besteed.

Ook in de andere Protestantse kerken is de diaconale arbeid van betekenis, met name in de Gereformeerde Kerken. In laatstgenoemde Kerk vertoonde het diaconaal besef reeds na de Doleantie een sterke opleving: het ziekenhuis Eudokia te Rotterdam en ’s Heerenloo te Ermelo ontstonden door diaconaal initiatief. Ook hier voelt het diaconaat thans haar grote verantwoordelijkheid voor de leniging van allerlei nood. Daardoor groeide een verbond met de Rudolphstichting en kwam het ook tot oprichting van een Tehuis voor ongehuwde moeders en de van Beeck Calkoen-school voor gezinsverzorgsters te Amsterdam. In classicale, provinciale en landelijke conferenties bezitten de diakenen organen van contact en beraad. De arbeid heeft in Utrecht een Centraal Bureau en als orgaan: Diaconaal Correspondentieblad. In de R.K. Kerk kan men niet spreken van diaconaat. De armenzorg staat hier onder oppertoezicht van de bisschop. In de regel is in elke parochie één parochiaal armbestuur.

Bijzondere aandacht verdient de arbeid van de diaconessen. Uit de schaarse en onzekere gegevens in het N.T. (Rom. 16 : 1, I Tim. 5 : 9, 3 : 8 en 11) is moeilijk op te maken, in hoeverre hier van „diaconale” arbeid sprake is. Het in I Tim. 5 : 9 genoemde weduwenambt, dat wellicht ook werk van barmhartigheid heeft omvat, is in de oude kerk wel van betekenis, maar nimmer tot brede ontplooiing gekomen en is, vooral in het Oosten, geleidelijk verdrongen door de arbeid van diaconessen. In het Westen zijn deze laatste ook bekend, maar na de 3de eeuw worden zij niet meer genoemd. Calvijn verlangde, dat ook vrouwen, vooral weduwen, zich zouden wijden aan de belangen van armen en zieken. Het Convent van Wesel oordeelde zelfs, „dat ook vrouwen van beproefd geloof en eerbaren levenswandel en die van gevorderden leeftijd zijn”, tot het ambt van diaken kunnen worden aangenomen. In verschillende gemeenten heeft dan ook het diaconessenambt bestaan, in Nederland bijv. in Amsterdam, Middelburg en Utrecht. De Synode van Middelburg achtte het echter niet raadzaam, het ambt der diaconessen weer in te voeren „om verscheijden inconvenienten wille”. Wel zouden de vrouwen van diakenen of andere vrouwen bijv. in geval van ziekte hulp kunnen verlenen. In genoemde gemeenten bleef het ambt nog geruime tijd bestaan, na 1581 werd het echter nergens meer ingevoerd. Eerst door het optreden van Th. Fliedner (1800-1864), predikant in Kaiserswerth, krijgt de arbeid van diaconessen weer nieuwe betekenis. Deze stichtte in 1836 het eerste Diaconessenhuis. Hier werden diaconessen gevormd voor ziekenverzorging in de gemeente en als helpsters en verpleegsters voor ziekenhuizen, reddingshuizen en weeshuizen. Weldra ontstonden ook elders diaconessenhuizen, die met het moederhuis in Kaiserswerth verbonden bleven. De diaconessenhuizen in de verschillende landen van Europa hielden geregeld contact door de „Kaiserswerther Conferenties” (sinds 1861). In Oct. 1947 werd te Kopenhagen opgericht een Internationale Federatie van bonden van diaconessenhuizen „Diakonia”, die regelmatig in verschillende landen conferenties houdt. Bij deze federatie is ook de Bond van Nederlandse Diaconessenhuizen aangesloten. De band met de Conferentie van Kaiserswerth is verbroken. De oudste diaconessenhuizen in Nederland zijn die van Utrecht (1844), ’s-Gravenhage (1865) en Haarlem (1874). Terwijl in Engeland de diaconessen in de evangelisatie, in Duitsland naast de ziekenverpleging ook in opvoedingsinrichtingen en als sociale werksters werkzaam zijn, blijft in Nederland de arbeid der diaconessen bijna geheel beperkt tot de ziekenverpleging. Na een tijd van voorbereiding worden zij tot haar dienst ingezegend. Het verband met de Ned. Herv. kerk, dat bij de meeste diaconessenhuizen reeds op een of andere wijze bestond (de predikant-directeur tevens predikant van de plaatselijke gemeente, de kerkeraad vertegenwoordigend in het bestuur), is in de laatste tijd veelal nauwer geworden.

Van de diakenen onderscheidt men de diaconen. Deze, de mannelijke gelijken van diaconessen, zijn wel „dienaren” in het werk der barmhartigheid, doch bekleden geen kerkelijk ambt. In Nederland ontstond de broederschap van diaconen in 1885, vooral op initiatief van ds Creutzberg en gedeeltelijk in navolging van de inspirerende arbeid van Wichern en Fliedner. In aansluiting bij de bovenvermelde Gereformeerde traditie wenste men ook „diaconen, die zich de arbeid der liefde op allerlei gebied ten doel stellen”. Bekend is vooral hun werk in de stichting Meer en Bosch te Heemstede, waar epileptici worden verpleegd, maar ook elders zijn, in Heemstede opgeleide, diaconen als wijkbroeders werkzaam. Het overleg betreffende de uitbouw van het werk der diaconen en een nauwer verband met de Ned. Herv. Kerk is nog gaande.

PROF. DR G. SEVENSTER

Lit.: G. Uhlhorn, Die christliche Liebestätigkeit, 3 Bde, 2te Aufl. (1895); P. Biesterveld e.a., Het Diaconaat (Hilversum 1907); J. C. de Moor, De ontwikkeling van het Diakonaat (1913); art. Diacre in Cabriol’s Dict. d’Archéol. Chrét. et de Liturgie (1907); J. H. Adriani e.a., Diaconale studiën (Utrecht 1919); A. J. L. van Beeck Calkoen e.a., Diaconaal Handboek ten dienste der Geref. Diaconieën, (Rotterdam 1929); J. Everts, De verhouding van Kerk en Staat in het bijz. ten aanzien der armenverzorging (Utrecht 1908); Idem e.a., Gids voor Maatsch. Hulpbetoon in Nederland (Alphen a.d. Rijn 1940); J. H. Adriani, Voorlezingen over armenzorg en maatsch. werk (Utrecht 1940); M. G. T. van Lennep, De ontwikkeling der Inwendige Zending in Nederland, 2de dr. (’s Gravenhage 1946); W. J. Aalders, Het ambt van diakones, in: Woord en Daad (1938); Een en ander uit de gesch. van het Mannelijk Diakonaat, uitgeg. door de Broederschap v. Diakonen in Nederland te Heemstede (1948); Diaconaal Handboekje... van de diaconieën der Geref. Kerken in Ned. (1947); K. Dijk, De eenheid der ambten (1949).