Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

HAND

betekenis & definitie

(1, mens) is dat gedeelte van de arm*, dat bestaat uit de handwortelbeenderen, de middelhandbeenderen en de vingerkootjes. Uitwendig kan men haar verdelen in de handpalm en de vingers. De ontleedkunde splitst de handpalm in een kleiner gedeelte, dat aan de armbeenderen grenst (de handwortel) en een groter gedeelte tussen de handwortel en de vingers: de middelband (z skelet). De acht handwortelbeenderen zijn 4 aan 4 in 2 rijen geplaatst en door banden zo sterk verenigd dat de met kraakbeen beklede gewrichtsvlakken slechts een geringe beweging mogelijk maken, terwijl de verbinding der beide rijen iets meer beweegbaar is.

Hierdoor is de handwortel stevig en toch elastisch. Van de eerste rij hebben de grootste 3 een gewelfde oppervlakte, en zijn beweeglijk verbonden met de twee beenderen van de onderarm. De 4 beentjes der tweede rij zijn verbonden met 5 langwerpige beenderen, die de middelhand vormen. Deze verbinding is zeer stijf met betrekking tot de 4 vingers, maar zeer beweegbaar met betrekking tot de duim. Deze afzonderlijke beweegbaarheid van de duim is bij het gebruik der hand van het grootste belang, daar men met een hand zonder de 4 vingers doorgaans meer verrichten kan, dan met een hand zonder duim. Het aanwenden van de duim tegenover de 4 vingers maakt de hand juist tot een uitstekend grijporgaan. Op de middelhandbeenderen volgen de vingerkootjes, 3 voor elke vinger en 2 voor de duim.De spieren, die door samentrekking de hand in beweging brengen, zijn merendeels niet aan de hand, maar aan de benedenarm vastgehecht. De spieren aan de onderarm zijn zó gerangschikt, dat de buigspieren zich bevinden aan de benedenzijde en de strekspieren, die gebogen vingers weer kunnen strekken, aan de bovenzijde van de arm, terwijl ook de zijwaartse bewegingen van duim en vingers door aan de arm gelegen spieren gemaakt worden, evenals de omdraaiende beweging van de hand. Het buigen en strekken der 4 vingers geschiedt door één gemeenschappelijke spier, die zich eerst in de handpalm in 4 delen splitst, terwijl elk dier delen in een pees eindigt. Hierin ligt de moeilijkheid, die ongeoefenden ondervinden, wanneer zij elke vinger afzonderlijk willen bewegen. In dit opzicht is evenwel de wijsvinger bevoorrecht, daar hij in het bezit is van een afzonderlijke strekspier. Nog groter echter is het voorrecht van de duim, daar vier afzonderlijke spieren van de benedenarm hem in beweging brengen.

In de middelhand vindt men een groot aantal kleine spieren, welker pezen aan de vingerkootjes bevestigd zijn en die de fijnste bewegingen regelen. In de handpalm zijn voorts de spieren aan de kant van de duim het meest ontwikkeld en worden de muis van de duim genoemd.

De slagaderen der hand zijn voortzettingen en vertakkingen van die van de arm. Zij lopen over het handgewricht in de handpalm en vormen daar een boog, die takken afgeeft naar de vingers, terwijl het bloed terugvloeit door aderen, die vlak onder de huid gelegen zijn. Belangrijk zijn de zenuwen van de hand, zowel die, welke aan de wil onderworpen en van zenuwen van de arm afkomstig zijn, als de gevoelszenuwen met haar tastlichaampjes in de vingertoppen, die bij uitnemendheid de organen zijn voor het gevoel*. Zie voor tekeningen : arm.

(2, zoogdieren). In tegenstelling tot de mens en de apen is bij de overige zoogdieren de vrije beweegbaarheid, vooral de draaibaarheid der handwortelbeenderen en der vingergewrichten niet meer aanwezig, daar de hand bij hen, wat het gebruik betreft, in een deel van de voorpoot veranderd is. Bij de mens-apen, vooral bij orang-oetan en gibbon, is de hand tot een orgaan geworden, dat alleen dient om zich vast te klemmen bij het springen van tak tot tak, met korte duim en zeer lange vingers.