Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 14-11-2017

Adam

betekenis & definitie

Adam in de Hebreeuwsche taal zoon der aarde, zoo heette, volgens de Bijbelsche overlevering, de eerste mensch en de stamvader van het menschelijk geslacht. Wij vinden in den aanvang van het boek Genesis twee verhalen omtrent de schepping van den mensch.

Het eerste (I: 26—30) is zeer eenvoudig en vermeldt, dat God op den zesden dag man en vrouw geschapen heeft naar zijn beeld, en dat de mensch tot heer is gesteld over al het geschapene. Het tweede (II en III) levert eene van de diepzinnigste mythen der Oudheid en is als zoodanig vatbaar voor verklaringen , die met de hedendaagsche wetenschap en wijsbegeerte overeenstemmen. Hier vinden wij, dat God den mensch formeerde uit het stof der aarde en in zijne neusgaten den adem des levens blies, — dat hij geplaatst werd in een lusthof, het Paradijs genaamd, waar twee merkwaardige hoornen groeiden, die des levens of der onsterfelijkheid en die der kennis des goeds en des kwaads, van wiens vrucht hij op straf des doods niet mogt proeven. Zijne vrouw, Eva of mannin geheeten, werd gedurende Adams diepen slaap uit zijne rib geschapen of van deze gescheiden en dus teregt “vleesch van zijn vleesch en been van zijn been” genaamd. De vrouw, door eene listige slang verleid, at van de verboden vrucht en haalde ook haren man over, om daarvan te proeven. Nu hadden zij hunne onschuld en dus ook hunnen vrede verloren. Zij erkenden, dat zij naakt en schuldig waren en zochten zich voor hunnen Schepper te verbergen. Uit het Paradijs verdreven en aan velerlei ellenden ter prooi, zagen de eerste menschen hun huisgezin met kinderen vermeerderd. Sommigen beschouwen Kain, anderen Seth als den tweeden stamvader van het menschelijk geslacht. Adam overleed in den ouderdom van 930 jaren en werd, volgens eene Joodsche sage, te Hebron begraven, waar in lateren tijd ook het gebeente der Aartsvaders eene rustplaats vond. Het verhaal der lotgevallen van het eerste menschenpaar is hoofdzakelijk op vier verschillende wijzen beschouwd. Het is opgevat als letterlijk waar en wel door de Latijnsche kerkvaders en de orthodoxe godgeleerden, — als gebouwd op een geschiedkundigen grondslag, zoo als door Eichhorn, Hesz en anderen, die het aanmerken als bestaande uit eene geschiedkundige kern met vele sieraden en overdragtelijke voorstellingen, — als eene allegorie, zoo als door Philo, de Grieksche kerkvaders en anderen, — en als eene wijsgeerige mythe.

Merkwaardig is de overeenkomst van dat verhaal met dergelijke overleveringen der Oostersche oudheid. Volgens de Perzische Zend-Avesta waren de eerste menschen, Meschia en Meschiane, onschuldig en rein, en de hemel was hun toegezegd, zoo zij in dien toestand bleven. In den beginne erkenden zij Ormuzd als den eenigen Schepper der dingen, maar later werden zij door een boozen geest verblind, zoodat zij hulde bragten aan Ahriman, Die booze verleider schonk hun vruchten, waarvan zij proefden, eerst de vrouw en daarna de man. Zoo werden zij zondaren (darwands), kleedden zich in vellen van dieren en vonden het gebruik van ijzer uit, maar bleven ondankbaar jegens God, terwijl Ahriman en andere booze geesten zich gedurig in de gedaante van slangen aan hen vertoonden. — Ook bij de Grieken vindt men dergelijke sagen, die ons wijzen op eene gouden eeuw of een toestand, gelijkvormig aan dien van Adam en Eva in het Paradijs. — In den Talmud is het verhaal der lotgevallen van het eerste menschenpaar op eene zonderlinge wijze verwrongen, en de zamensteller van den Koran heeft uit dergelijke overleveringen geput. Volgens dit boek besloot God, den eersten mensch als zijn stedehouder op aarde te plaatsen. Dit wekte den naijver der engelen, en toen God hun beval, om voor Adam neder te buigen, weigerde Eblis te gehoorzamen en werd uit het Paradijs verdreven. Adam mogt er nu in wonen, maar uit wraakzucht bragt Eblis hem onder het oog, dat God den mensch om geene andere reden het eten van den verboden boom ontzegd had, dan om te verhinderen, dat hij een engel werd. Daardoor lieten de eerste menschen zich verleiden, maar God ontfermde zich over den boetvaardigen Adam en deed hem ter plaatse, waar later te Mekka de tempel verrees, door den engel Gabriel in de kennis zijner geboden onderwijzen en schonk hem, na eene scheiding van twee eeuwen, zijne echtgenoot terug. Adam stierf en werd op den berg Abukaïs bij Mekka begraven. De Muzelmannen noemen hem Abulbasjar of vader des vleesches en Sefi Allah of uitverkorene Gods. In het Nieuwe Testament wordt Adam niet alleen beschouwd als de eerste zondaar, maar ook als de oorzaak van de zonde en van den dood, om hem tegenover Christus te stellen als de oorzaak der verlossing en des levens.

Verscheiden merkwaardige personen droegen den naam van Adam. Hij was de geslachtsnaam van drie broeders, Lambert Sigisbert, Nicolas Sebastien en François Gaspard, die, uit Nancy afkomstig, zich in de voorgaande eeuw door hunne voortreffelijke werken als beeldhouwers beroemd hebben gemaakt. Van den oudste is de groep van Neptunus en Amphitrite te Versailles. Voorts vermelden wij Adam Bremensis of Adam van Bremen, die in de elfde eeuw als Christen-zendeling in Skandinavië is werkzaam geweest en een paar belangrijke werken geschreven heeft, — Adam de la Hole, een toondichter uit het midden der 13de eeuw, die zich in 1282 met Robert II, graaf van Artois, naar Napels begaf en hier overleed (1287), — Louis Adam, een virtuoos op het klavier en de harp, die in 1758 te Miettersholz geboren werd, zich op 17-jarigen leeftijd naar Parijs begaf en hier in 1797 tot professor aan het Conservatoire benoemd werd († 1848), — Charles Adolphe Adam, den zoon van den voorgaande, een der voortreffelijkste Fransche componisten, geboren te Parijs in 1803 en vervaardiger van de operas “Le postillon de Lonjumeau,” “Le brasseur de Preston“Giralda ou la nouvelle Psyche” enz., — en Albrecht Adam, een uitstekend schilder van dieren en veldslagen, die, in 1786 te Nördlingen geboren, de teekenacademie te Neurenberg bezocht en vervolgens als begeleider van hertog Eugenius van Leuchtenburg de veldtogten in Italië en in Rusland (1812) bijwoonde, waarvan hij talrijke schetsen, teekeningen en schilderijen geleverd heeft, die grootendeels door de graveernaald algemeen zijn verspreid. Vooral zijne paarden zijn voortreffelijk.