Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 10-08-2018

Overlevering

betekenis & definitie

Overlevering noemt men ieder verhaal, dat door mondelijke mededeeling van ouderen aan jongeren dikwijls eeuwen lang is bewaard gebleven. Natuurlijk was zij de stof der eerste geschiedschrijvers, die een relaas wilden opmaken van ’t geen vóór hun tijd was gebeurd. Het spreekt echter van zelf, dat mondelijke overleveringen door eene gebrekkige mededeeling en verkeerde opvatting, alsmede door de fantasie der mededeelers alligt misvormd of opgesierd worden, zoodat zij geschikter stof zijn voor den dichter dan voor den historieschrijver. De oudste overleveringen, die zich door een fabelachtigen inhoud onderscheiden, noemt men ook wel sagen en mythen.

Overlevering Overlevering (traditio) is in de R. Katholieke Kerk de godsdienstleer, welke naast die der Heilige Schrift mondelijk door de Christenen is overgebragt. Men verstaat daaronder eene geheime leer, van Jezus en de Apostelen afkomstig en ter verklaring van het Bijbelwoord door eene onafgebrokene reeks van bisschoppen van geslacht tot geslacht voortgeplant en aan de gemeenten naar gelang harer behoeften medegedeeld. Deze voorstelling gedoogde echter ook deze verklaring, dat de Heilige Geest het juiste begrip der goddelijke waarheid in de Kerk handhaafde, zoodat alle latere kerkelijke bepalingen omtrent leer en wandel telkens nieuwe ophelderingen waren van den oorspronkelijken zin. In het eerste geval bestond er geenerlei ontwikkeling, doch in het tweede wél, — maar in beide gevallen blijft de onfeilbaarheid der overlevering door de onfeilbaarheid der Kerk verzekerd. Het begrip van traditie kwam eerst volkomen tot zijn regt tegenover het Protestantsche beginsel, dat de Heilige Schrift het eenig rigtsnoer is voor het geloof en leven van den Christen. Intusschen kende de Christelijke oudheid reeds de traditie in den zin eener mondelijke voortplanting der Apostolische leerstellingen en verordeningen door middel van het bisschopsambt, — eene voortplanting, wier inhoud, zaamgevat in de Apostolische geloofsbelijdenis, onder de leiding van den Heiligen Geest allengs duidelijker werd voor de Christenen. De Kerk evenwel plaatste het zwaartepunt niet in de Apostolische, maar in de Kerkelijke traditie, wier mededeelingen zij uit conciliebesluiten en geschriften van Kerkvaders zorgvuldig bijeenbragt. Daarbij kwamen later de Pauselijke Decretalen.

De onfeilbaarheid der Kerk maakte voorts elk bewijs voor den apostolischen oorsprong der traditie overbodig. Eerst ten tijde van den strijd tegen het Protestantismus wendde men pogingen aan om het mondelijk overgeleverde woord van God naast de Heilige Schrift te stellen en met hetzelfde gezag als deze laatste te bekleeden en het tevens af te scheiden van het gezag der Kerk. Men slaagde er echter niet in, eene duidelijke bepaling te geven van de traditie. Een voorstel, op het Concilie van Trente ter tafel gebragt, om alle Kerkelijke overleveringen te verzamelen, werd van de hand gewezen, omdat men zich daardoor berooven zou van de gelegenheid, om bij toekomstige Kerkelijke geschillen nieuwe traditiën als bewijsgronden aan te voeren. De R. Katholieke stelselleer maakt voorts onderscheid tusschen „traditiones divinae, apostolicae en ecclesiasticae”, van welke de eerste 2 alle eigenschappen eener volmaakte traditie bezitten. De onderscheiding van „traditiones universales en particulares, perpetuae en temporariae, necessariae en liberae” is niet van willekeur vrij te pleiten. Intusschen hadden de R. Katholieken tegenover de onwraakbare getuigenissen der geschiedenis aangaande den lateren oorsprong van vele hunner belangrijkste leerstellingen en gebruiken steeds een uitweg in het beroep op de Kerkelijke traditie. Daarom beschouwen de schrijvers over R. Katholieke kerkleer sedert Staudenmaier en Möhler de overlevering in het algemeen als de gestadige leiding der Kerk door den goddelijken geest, alzoo als eene onfeilbare, volkomene ontwikkeling van het kerkelijk bewustzijn, waarbij van geene dwaling sprake kan zijn.

Het oudere Protestantismus kwam vooral in verzet tegen het begrip van traditie, zooals dit op het Concilie te Trente was vastgesteld, namelijk dat men haar beschouwen moet als een ongeschreven woord van God; het beijverde zich aan te toonen, dat eene onvermengde en onverminkte overlevering van eeuwen tot de onwaarschijnlijkheden behoorde, maar bewees ook, dat vele gewaande goddelijke overleveringen betrekkelijk nog zeer jong waren. Terwijl wijders de R. Katholieke Kerk in ruimeren zin ook den Bijbel bij de traditie voegde en het gezag des Bijbels rusten deed op het gezag der Kerk, plaatste het Protestantismus de Heilige Schrift als het woord van God als alleengezaghebbend op den voorgrond en beweerde, dat zij geenerlei aanvulling door de traditie noodig had. De groote strijdvraag was dus eigenlijk: Schriftgezag of Kerkgezag? en deze kon niet worden beslist. Nu echter de Protestanten den Bijbel meer en meer beschouwen als het eerste lid in de reeks der voortbrengselen van oud-kerkelijke letterkunde, verdwijnt tevens de scherpe tegenstelling van Schrift en Overlevering. Het valt toch niet te ontkennen, dat het Christelijk bewustzijn zich evenzeer in de Kerkelijke overlevering als in de Gewijde Schrift heeft geopenbaard, en dat men alzoo deze laatste mag aanmerken als het blijvende bij eene gestadige wisseling.

Toch bestaat er tusschen de R. Katholieke en Protestantsche denkbeelden over dit onderwerp eene breede kloof. Aan de eene zijde heeft men het begrip der onfeilbare Kerk met haar onbeperkt goddelijk gezag, en aan de andere zijde den eisch der Protestantsche wetenschap, om de kerkelijke ontwikkeling als eene zuiver menschelijk-geschiedkundige aan te merken, die nog ver van de volkomenheid verwijderd is. Slechts daar is de zuurdeesem van het onfeilbaar kerkgezag ook in het Protestantimus overgebleven, waar de orthodoxie de onfeilbaarheid verkondigt van alle uitspraken des Bijbels. Daar de verklaring dier uitspraken tevens door de orthodoxie gegeven wordt, zal ieder gevoelen, dat bij deze Schriftgezag en Kerkgezag woorden van dezelfde beteekenis zijn.