Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 07-08-2018

Geslacht

betekenis & definitie

Geslacht is in ruimeren zin hetzelfde als klasse, namelijk eene bepaalde groep van min of meer gelijkvormige wezens. Het planten- en dierenrijk verdeelt men namelijk in klassen, — voorts in familiën, —deze in geslachten, — en de geslachten eindelijk in soorten. In meer beperkten zin beteekent echter het woord geslacht het mannelijk en vrouwelijk geslacht o!'de beide groote afdeelingen der bewerktuigde schepselen. Door dat verschil van geslacht ontstaat de geslachtelijke voortplanting (zie aldaar) der organische wezens.

Slechts bij de zoodanige, die zich op den laagsten trap van ontwikkeling bevinden, heeft men andere wijzen van voortplanting. De deelen, waardoor zich de 2 verschillende geslachten onderscheiden, noemt men geslachtsdeelen. Deze zijn bij de verschillende bewerktuigde wezens zeer verschillend en dienen uitsluitend tot instandhouding der soort. Bij de planten zijn de beide geslachten meestal in dezelfde bloem vereenigd, — somtijds echter vindt men ze verdeeld over verschillende bloemen, of ook over verschillende planten. Bij sommige dieren der lagere klassen vindt men, evenals bij de planten, de organen der beide geslachten bij hetzelfde individu, — in den regel echter heeft men er afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke schepselen.

Bij den mensch, gelijk ook reeds bij de meeste zoogdieren, onderscheidt zich voorts de man door grover beenderen, sterker spieren, grootere longen en een meer hoekigen vorm, terwijl het ligchaam der vrouw zwakker en teederder gebouwd en meer afgerond van gedaante is. Bij de meeste vogels is het mannetje grooter, sterker en met fraaijer vederen versierd dan het wijfje; doch bij de roofvogels vindt men het omgekeerde. Bij kruipende dieren en visschen zijn de mannetjes gewoonlijk kleiner, en bij vele schaaldieren wordt het verschil van grootte zoo aanmerkelijk, dat de mannetjes slechts woekerdieren schijnen van de wijfjes. Bij vele insecten draagt alleen het mannetje vleugels.

Gelijk de natuuronderzoeker vaak in het verschil van instinct het onderscheid der geslachten ontwaart, zoo openbaart zich dit laatste bij den mensch in de gesteldheid des geestes. Men bemerkt bij den man en de vrouw een groot verschil van karakter, van wil, van gemoedsaandoeningen. Bij den man staan kracht en verstand, — bij de vrouw zachtmoedigheid en gevoel op den voorgrond. Er zijn voorbeelden van het tegendeel, doch deze behooren tot de uitzonderingen.

Ook in de taal onderscheidt men geslachten, — evenwel niet bij alle. Men zoekt ze te vergeefs in het Chineesch, Tartaarsch, Finlandsch, Magyaarsch enz. In de Semietische talen zijn alle zelfstandige naamwoorden mannelijk of vrouwelijk, en in de meeste IndoGermaansche talen heeft men daarenboven een onzijdig geslacht, In het Engelsch is dat verschil van geslachten verloren gegaan.