Zijn
(is, was, is geweest), I. als zelfst. ww., 1. (abs.) bestaan, in wezen zijn: het wonder is het er iets is; God die is, die was en die wezen zal; ik denk, dus ben ik, grondstelling der leer van Descartes ; ze 'n zijn niet meer, ...ze *n zijn niet meer, ze waren! (Gezelle); 2. (met inchoatieve bet.) ontstaan, geschieden: God zeide...