Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Bestaan

betekenis & definitie

Het begrip bestaan heeft 3 verschillende betekenissen:

1. bestaan - BESTAAN, (bestond, heeft bestaan), in wezen zijn God bestaat;
ik besta niet voor hem, hij doet alsof ik niet besta, hij bekommert zich niet om mij;
— dat heeft geen recht van bestaan;
— deze wet bestaat nog, is nog van kracht;
— die zaak bestaat zoo voor mij, volgens mij zit die zoo in elkander;
— bestaan uit, samengesteld zijn uit: dit werk bestaat uit drie deelen; de dampkringslucht bestaat grootendeels uit stikstof en zuurstof;
— bestaan in: zijn werkzaamheden bestaan in, strekken zich uit tot, omvatten;
— zijn vermogen bestaat in huizen en effecten;
— die ziekte bestaat in eene aandoening der slijmvliezen, die aandoening is de ziekte zelf;
— het bestaat hem niet in bidden, daarop komt het alleen niet aan;
— zich onderhouden, leven hij moet van een klein inkomen bestaan;
— hij kan niet bestaan, kan niet rondkomen;
— die zaak kan niet bestaan, levert niet genoeg op;
— in den bloede bestaan, verwant zijn hij bestaat u van na, vgl. nabestaanden;
— zoo besta ik niet, dat is mijn aard, mijne gewoonte niet;
— hoe kan dat bestaan ? hoe is dat mogelijk, denkbaar ?;
— ondernemen, uitvoeren; wie durft zoo iets bestaand; een stout stuk bestaan;
— dat bestaat niet met recht en billijkheid, is daarmee niet overeen te brengen;
— overeenkomen, bij elkaar behooren; het lidmaatschap van den gemeenteraad kan niet bestaan met de betrekking van onderwijzer, is onvereenigbaar met.

2. bestaan - BESTAAN, o. aanwezen het bestaan van God; dat genootschap, die firma viert heden haar honderdjarig bestaan;
— dat is geen menschwaardig bestaan;
— zijn bestaan is zoo niet, zijn aard;
— (gew.) hij heeft een groot bestaan, eene groote manlijkheid, hij „is groot geschapen’’;
— middelen om van te leven hij heeft een goed bestaan; die zaak levert geen bestaan op; een middel van bestaan zoeken, vinden;
— onderneming een stout bestaan, een stout stuk.

3. bestaan - BESTAAN, bn. (Zuidn.) beschaamd, verlegen, beteuterd wat ziet hij er bestaan uit!