Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Wezen

betekenis & definitie

Het begrip wezen heeft 2 verschillende betekenissen:

1. wezen - WEZEN, (is, was, is geweest), zijn, bestaan: het mag wezen hoe ’t wil, het is eene onaangename zaak;
hij mag er wezen, hij is niet min, niet klein ;
— ik mag er niet wezen, het bevalt mij daar niet;
— dat mag wel zoo wezen, dat is maar zoo zoo ; wij zijn daar wezen kijken.

2. wezen - WEZEN, o. (-s), het zijn, bestaan : alles wat in wezen is; iets in het wezen roepen ; iets in wezen laten ; is uw grootvader nog in wezen ?, leeft hij nog ?;
— hetgeen een ding maakt tot wat het is : dat doet niets tot het wezen der zaak; het wezen des menschen bestaat daarin, dat hij een redelijk schepsel te; het wezen van God; den schijn van het wezen onderscheiden ; in het wezen der zaak maakt dat geen verschil, in de kern der zaak ;
— gelaat, uiterlijk, karakter : een innemend wezen hebben; die dame heeft iets edels in haar wezen,
— wat bestaat, eene zelfstandigheid: het opperste wezen, Opperwezen, God ; God is het volmaaktste wezen; de mensch is een redelijk wezen;
— schepsel: die vrouw is een ondraaglijk wezen;
— iets in zijn geheelen omvang met alles wat er bij behoort (alleen in samenstellingen): krijgswezen; muntwezen; postwezen enz. zie aldaar;
bewustheid, gevoel, aandoening : in dien staat van verdooving had zij heel geen wezen van ’t geen er met haar gebeurde. WEZENTJE, o. (-s). WEZENHEID, v. het zijn; bestaan, wezenlijkheid.