Wat is de betekenis van Vrouw?

2019
2021-06-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vrouw

vrouw - Zelfstandignaamwoord 1. (biologie) een volwassen vrouwelijke mens Die vrouw is erg lustig. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk Op het feest werd ik aan zijn vrouw voorgesteld. Woordherkomst afkomstig van: Middelnederlands:...

Lees verder
2018
2021-06-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

vrouw

vrouw - zelfstandig naamwoord 1. volwassen persoon van het geslacht dat kinderen baart ♢ in het onderwijs werken meer vrouwen dan mannen 2. persoon met wie een man getrouwd is ♢ mag ik je mijn vrouw voorstell...

Lees verder
2000
2021-06-18
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Vrouw

Ingaan tot een vrouw, seksuele omgang hebben met een vrouw. In de Statenvertaling (1637) wordt de seksuele handeling van de man met een vrouw omschreven met de verbinding ingaan tot. Zo staat er in Genesis 16:4 ‘En hij [Abram] ging in tot Hagar, en zij ontving.’ En in 2 Samuel 16:22 ‘Absalom ging in tot de bijwijven zijns vaders, voor de ogen van h...

Lees verder
1998
2021-06-18
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Vrouw

1. een - meteen vliegwiel, Bargoense uitdr. voor ‘een werkende vrouw’. 2. een - zonder man is als een vis zonder fiets, vrouwen kunnen het makkelijk zonder mannen stellen, zijn onafhankelijk genoeg om zich alleen te behelpen. Feministische slogan uit de jaren zestig met een Duitse en Engelse variant: eineFrau ist wie ein Fisch ohneFahrrad; a wo- ma...

Lees verder
1998
2021-06-18
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

vrouw

De op twee na hoogste kaart van een kleur, aangeduid met ‘V’ (‘Q’ van ‘queen’ op internationale speelkaarten en ‘D’ van ‘dame’ op Franse) en een plaatje van een vorstelijke vrouw.

1973
2021-06-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

vrouw

v. (-en), 1. volwassen mens van het vrouwelijk geslacht; coll.: de — heeft een hogere stem dan de man; de werkende —; 2. echtgenote: man en —, echtpaar; ook als aanspraak: —, kom eens even; 3. meesteres: de — des huizes; Onze-Lieve-Vrouw, de Maagd Maria; meesteres ten opzichte van een huisdier: kom maar bij de —;...

Lees verder
1952
2021-06-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Vrouw

s.; (echtgenote), frou, wiif (it), minske (it); (vrouwelijk persoon), frouminske(it),frommes (it), minske (it),wiif (it), frou (pl. f r o u l j u); — des huizes, frou; jonge, pasgetrouwde —, jongwiif (it); oude —, âldwiif (it), âldminske (it); een bloeiende &mdash...

Lees verder
1950
2021-06-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Vrouw

v. (-en), 1. mens van het vrouwelijk geslacht: de vrouwen gaan anders gekleed dan de mannen; vrouwen zijn zwakke vaten (1 Petr. 3:7); — als collectief: de vrouw heeft een hogere stem dan de man;zij is een vrouw, zij is zwak of onbestendig; 2. echtgenote: ik zal mijn vrouw even roepen; man en vrouw, echtpa...

Lees verder
1933
2021-06-18
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Vrouw

I. Aard van de vrouw Wijsbegeerte en Openbaring leeren, dat de vrouw in alles wat tot de wezenlijke volmaaktheid van de menschelijke natuur en waardigheid behoort, en in alles wat behoort tot de bovennatuurlijke volmaaktheid, gelijk staat met den man. In dezen verheven zin is de v. een volkomen mensch, een persoonlijkheid met alles, wat daarin opge...

Lees verder
1919
2021-06-18
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Vrouw

mnl. vrouwe, het vr. van een woord, dat in ’t go. frauja (gen. fraujins) = heer luidt, dus oorspr. meesteres. Dezelfde stam is nog over in vroondienst en vroonrecht; in ’t hd. vindt men nog samenstellingen, w.i. heer = God (of Christus) is, b.v. Frohnleichnan, Frohnaltar (= hoogaltaar) ; in ’t mnl. komt Vroon niet, in ’t ohd...

Lees verder
1916
2021-06-18
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Vrouw

Vrouw - zie GESLACHT en HANDELINGSBEVOEGDHEID.

1898
2021-06-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

VROUW

VROUW - v. (-en), echtgenoote ; vrouwelijk persoon die huwbaar is ; man en vrouw, echtpaar ; eene vrouw nemen, in het huwelijk treden ; de vrouw (meesteres) des huizes ; — zij is eene vrouw, zij is zwak of onbestendig; — Onze Lieve Vrouwe, de Maagd Maria ; — eene speelkaart met eene vrouw : hartenvrouw, ruitenvrouw. VROUWTJE, o....

Lees verder
1870
2021-06-18
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Vrouw

Vrouw (Eene) is een volwassen persoon van het vrouwelijk geslacht. Zoowel de toestand als de behandeling der vrouw is afhankelijk van de denkbeelden, welke het sterkere geslacht koestert omtrent hare waarde. Bij de weelderige Oosterlingen werd zij beschouwd als een wezen, bestemd om de zinnelijke lusten van den man te bevredigen, en bij de barbaars...

Lees verder