Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Huwelijk

betekenis & definitie

Het begrip huwelijk heeft 2 verschillende betekenissen:

1. huwelijk - HUWELIJK, o. (-en), echt, echtverbintenis, echtvereeniging: de wettige of kerkelijke plechtigheid waarbij een man en eene vrouw zich tot wettig samenleven verbinden : een huwelijk sluiten; in het huwelijk treden; zich in het huwelijk begeven; een meisje ten huwelijk vragen;
— een huwelijk stuiten, de voltrekking ervan beletten:
— een huwelijk voltrekken, het op wettelijke wijze doen plaats hebben;
— wettig huwelijk, volgens de wettelijke voorschriften gesloten, door de wet erkend;
— een huwelijk over den puthaak aangegaan, niet wettig gesloten;
— een huwelijk ontbinden;
— goederen staande het huwelijk verkregen, terwijl men gehuwd is; een gelukkig huwelijk;
— een huwelijk uit liefde, in tegenst. van een huwelijk uit berekening of om het geld;
— zij doet een goed huwelijk, huwt met iem. van aanzien en vermogen;
— 't is een huwelijk beneden zijn stand; zij brengt niets mee ten huwelijk, zij heeft geen geld;
— een kind, buiten huwelijk geboren, een onwettig kind;
— een morganatisch huwelijk, zie MORGANATISCH.

2. huwelijk - HUWELIJK, bn. in de uitdr. de huwelijke staat, het huwelijk : in den huwelijken staat treden.