Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Des

betekenis & definitie

Het begrip des heeft 3 verschillende betekenissen:

1. des - DES, (muz.) een halven toon lager dan d.

2. des - DES, verbogen lidw. van bepaaldheid; des vaders, (van den vader); de zoon des huizes; des avonds, des morgens (’s avonds, ’s morgens) bijw. uitdr. van tijd hij verdient twintig gulden maands, per maand.

3. des - DES, (veroud.) verbogen aanw. vnw. de 2de naamval mannel. en onzijdig enkelv. van die des verheug ik mij, daarom, daarover; opdat hij des getroost mocht zijn, gedacht hij slechts zijn huwelijkszegen; des te heter, zooveel te beter; des te erger. Zie de volgende samenst.