Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Treden

betekenis & definitie

Treden - (trad, heeft of is getreden), den voet zetten op, met den voet drukken ; stappen, zich begeven naar ; gaan, loopen : aan het venster treden; nader treden; (spr.) ter zijde treden, wijken, achteruitgaan , in de plaats treden van……..,vervangen, opvolgen ; tusschenbeide, in het midden treden, tusschenbeide komen;

— op het tooneel treden, verschijnen, (ook fig.) ijverig deelnemen (aan iets);
— in onderhandeling treden, beginnen te onderhandelen; zich in iets mengen, (ook) iets toegeven, toestemmen, bewilligen ; hierin kan ik niet treden ;
— in dienst treden, zijne werkzaamheden in de eene of andere betrekking aanvangen, (ook) militair worden;
— in het huwelijk treden, huwen;
— hij trad in zijne voetststappen, volgde zijn voorbeeld ;
— hij treedt in de rechten van……,krijgt de rechten of de bevoegdheid van...;
— zij treedt in haar achttiende jaar, haar achttiende levensjaar begint;
— (fig.) iem op de teenen treden, hem grieven, beleedigen ;
— iem. te na treden, iem. in zijne eer tasten ;
— iem. op de hielen treden, hem van nabij vervolgen :
— iets, iem. met voeten treden, verachten ;
— de wetten met voeten treden, die moedwillig overtreden ;
— iem. onder de oogen treden, zich voor iem. vertoonen ;
— druiven treden, uitpersen door er op te treden ; turf, klei, veen treden, enz. zie trappen ;
— de rivier is buiten hare oevers getreden, heeft hare oevers overstroomd ;
— (van vogels) paren : de haan heeft de hen getreden.