Treden betekenis & definitie

Treden - (trad, heeft of is getreden), den voet zetten op, met den voet drukken ; stappen, zich begeven naar ; gaan, loopen : aan het venster treden; nader treden; (spr.) ter zijde treden, wijken, achteruitgaan , in de plaats treden van……..,vervangen, opvolgen ; tusschenbeide, in het midden treden, tusschenbeide komen; — op het tooneel treden, verschijnen, (ook fig.) ijverig deelnemen (aan iets); — in onderhandeling treden, beginnen te onderhandelen; zich in iets mengen, (ook) iets toegeven, toestemmen, bewilligen ; hierin kan ik niet treden ; — in dienst treden, zijne werkzaamheden in de eene of andere betrekking aanvangen, (ook) militair worden; — in het huwelijk treden, huwen; — hij trad in zijne voetststappen, volgde zijn voorbeeld ; — hij treedt in de rechten van……,krijgt de rechten of de bevoegdheid van...;— zij treedt in haar achttiende jaar, haar achttiende levensjaar begint; — (fig.) iem op de teenen treden, hem grieven, beleedigen ; — iem. te na treden, iem. in zijne eer tasten ; — iem. op de hielen treden, hem van nabij vervolgen : — iets, iem. met voeten treden, verachten ; — de wetten met voeten treden, die moedwillig overtreden ; — iem. onder de oogen treden, zich voor iem. vertoonen ; — druiven treden, uitpersen door er op te treden ; turf, klei, veen treden, enz. zie trappen ; — de rivier is buiten hare oevers getreden, heeft hare oevers overstroomd ; — (van vogels) paren : de haan heeft de hen getreden.