Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Tegenwoordig

betekenis & definitie

Tegenwoordig - bn. niet afwezig : ik was daarbij tegenwoordig; op een feest tegenwoordig zijn;

nu bestaande : de tegenwoordige regeering, die nu regeert; de tegenwoordige directeur, die nu directeur is; wat doet gij tegenwoordig ?, wat doet gij nu?; de tegenwoordige tijd, onze dagen;
— (taalk.) tegenwoordige tijd, een der tijdvormen van het werkwoord, die de werking voorstelt te geschieden in den tegenwoordigen tijd.