Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

AFWEZIG

betekenis & definitie

Afwezig bn. (van een persoon) zich niet bevindende in zijn gewoon verblijf, van zijne woonplaats of van zijn gezelschap verwijderd een meisje dat om een afwezigen minnaar treurt;

— afwezig blijven (met aanwijzing van zekere tijdruimte), zoo lang elders vertoeven, van huis blijven overmorgen reis ik naar Frankfort voor zaken; wellicht blijf ik een paar maanden afwezig;
— (van personen) zich niet bevindende op de plaats waar anderen bijeen zijn, niet aanwezig, of waar eene handeling voorvalt, niet tegenwoordig zijn ik ben in die vergadering afwezig geweest; de secretaris houdt aanteekening van de afwezige leden;
— met (of zonder) verlof afwezig (van ambtenaren en krijgslieden gezegd), na (of zonder) wettig bekomen verlof zich elders bevindende en dus tijdelijk de dienstplichten niet waarnemende;
— afwezig blijven, niet verschijnen waar men tegenwoordig behoorde te zijn, of waar men gewacht wordt wegblijven;
— (w. g.) (van zaken, vooral van stoffelijken aard) niet aanwezig, niet ter beschikking staande (van den persoon van wien sprake is): de beide reizen had hij de deur gesloten en den sleutel afwezig bevonden;
— (w. g.) niet aanwezig, niet bestaande in de werkelijkheid hier is de vorm afwezig. (Men vermijde afwezig in den zin van afgetrokken, verstrooid).