Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Struik

betekenis & definitie

Struik - m. (-en), heestergewas; bessestruik; (spr.) door heggen en struiken loopen, den verkeerden weg opgaan, een zedeloos leven gaan leiden;

stronk. STRUIKJE, o. (-s).