Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Loopen

betekenis & definitie

Loopen (liep, heeft en is geloopen), zich met zekere snelheid te voet voortbewegen, (ook zonder het bijbegrip van snelheid) gaan, (van menschen en dieren): hij liep naar den dokter, ging ijlings den dokter halen;

— loop naar de pomp, eene verwensching;
— hij liep wat hij kon; vlug, uit al zijn macht loopen; hij heeft den heelen dag te loopen en te draven;
— gaan loopen, vluchten;
— iem. laten loopen, hem noodzaken snel te loopen; (ook) hem laten ontsnappen; (ook) hem links laten liggen, zich niet meer met hem bemoeien;
— zich het vuur uit de sloffen loopen, zich zeer beijveren;
— dit paard loopt harder dan het andere; dit kind leert pas loopen; de koeien loopen in de wei;
— al willen loopen en nog niet kunnen gaan, iets aanvangen, waartoe men niet in staat is;
— loopen gelijk eene hen die een ei moet leggen of die haar ei niet kan kwijtraken, beteuterd, verlegen heen en weer loopen
— voor iem. de zolen van zijn schoenen loopen, hem gaarne willen helpen, diensten bewijzen;
— op stelten loopen; hij loopt op zijne kousen,
— hij is komen loopen, in tegenstelling met rijden, varen enz.;
— ‘t is nu mooi weer om te loopen, te wandelen;
— hij loopt in de koffiehuizen, bezoekt die druk;
— iem. voor gek laten loopen, zie gek;
hij loopt als een postpaard, zeer snel;
storm loopen, bestormen;
men loopt storm om die betrekking, er zijn heel veel liefhebbers voor;
— het loopt daar storm, zeer druk;
— iem. tegen het lijf loopen, iem. toevallig ontmoeten; (ook) iem. ontmoeten en hem niet kunnen ontwijken;
— hij loopt in zijn verderf, gaat zijn ondergang te gemoet;
— met het hoofd tegen den muur loopen, vergeefsche moeite doen;
— laat hem maar loopen, laat hem maar begaan, hij is slim genoeg;
— op de klap loopen, zie KLAPLOOPER;
— (gew.) achter het land loopen, zich wegens misdaden enz. moeten verbergen;
— (gew.) achter de haag loopen, heimelijk de school verzuimen;
— achter de koeien loopen, de koeien drijven of hoeden;
— (gew.) achter een meisje loopen, trachten met haar verkeering aan te knoopen;
— iem. achterna loopen, hem vervolgen;
— op iem. loopen, iem. trachten te ontmoeten of te vangen;
— hij loopt op dit meisje, tracht met haar verkeering aan te knoopen;
— achter eene zaak loopen, haar behartigen, er de noodige zorg aan wijden; (Zuidn.) ook haar trachten te bekomen; achter eene betrekking loopen;
— bij iem. loopen, geregeld iem. bezoeken
— bij den weg loopen, niet thuis zijn;
— hij zal er wel mee door loopen, men zal hem niet bemerken;
— voor iem. door het vuur of door de hel loopen, alles voor iem. doen;
— door dik en dun loopen, (eig.) bij morsige straten de plassen enz. niet vermijden, (fig.) onbesuisd voortgaan, voortspreken, voortarbeiden:
— hij is er los overheen geloopen, heeft er slechts vluchtig zijne aandacht aan gewijd;
— hij is er in geloopen, in de val geloopen, beetgenomen, bedrogen;
— hij loopt er tegen aan, komt bedrogen uit, (ook) hij zal beboet, gestraft worden;
— hij loopt er hoog mee, hij heeft er veel mee op, hij beveelt het sterk aan;
— hij liep daar te veel in ’t oog, iedereen kende hem daar te goed;
— met iets te koop loopen; zie KOOP;
— met een meisje loopen, vrijen; zij loopen met elkander, zij vrijen met elkaar;
— iem. in den weg loopen, voor hem eene belemmering zijn;
— op zijn laatste beenen loopen, niet lang meer te leven hebben; (ook) het ergens niet lang meer uithouden;
— in zijn laatste schoenen loopen, doodziek zijn;
— (van vrouwen en meisjes) langs de straat drillen: meisjes die veel loopen, blijven niet lang deugdzaam;
— (Zuidn.) (van wonden) dragen, etteren;
— (van levenlooze zaken of van begrippen) zich voortbewegen, gaan, varen, rijden, stroomen enz.: het schip loopt van stapel, wordt te water gelaten; deze boot loopt snel; De Rijn loopt door Zwitserland, Duitschland en Nederland; er loopen dagelijks tien treinen; het horloge loopt te snel, te langzaam;
— de wind is naar het westen geloopen, is naar het westen gedraaid;
— het jaar loopt ten einde, is spoedig voorbij
— het loopt op het einde, van een zieke, die spoedig zal sterven;
— (fig.) de fabriek loopt, de machines zijn in werking;
— de heipalen loopen, wanneer ze bij het heien uit de richting gaan;
— (van vloeistoffen) vloeien: het water loopt door de goot; het bloed loopt uit de wonde; de wijn liep uit het vat; het zweet liep hem langs het gezicht;
— door een doek loopen, doorzijgen;
— (spr.) het water loopt altijd naar de zee, wie veel geld heeft wordt gewoonlijk door de fortuin begunstigd;
— bij overdracht ook van dat waardoor, waaruit of waarin iets loopt: de goot loopt; het vat, de kraan loopt niet meer;
— hare oogen loopen, tranen; mijne schoenen loopen vol water;
— (kooph.) deze wissel heeft nog twaalf dagen te loopen, is over twaalf dagen vervallen;
— zich verspreiden: het gerucht loopt, dat hij verdronken is; er loopt een gerucht;
— de zaak loopt goed, het gaat naar wensch;
— de zaak loopt vreemd, neemt eene vreemde wending;
— te niet loopen, mislukken, (ook) ten einde loopen;
— het is hem tegen geloopen, hij is niet gelukkig geweest;
— te hoog loopen, onbegrijpelijk voor iem. zijn, (ook) te hoog in prijs zijn;
— dat loopt nogal in de papieren, dat is nogal kostbaar;
— de twist liep hoog, werd hevig;
— de boel loopt in het riet, in de war, in het honderd, neemt eene slechte wending, het gaat slecht, het staat er slecht bij;
— het loopt naar drieën, het is weldra drie uur;
— hij loopt naar de vijftig, zal weldra vijftig jaar oud zijn;
— het loopt er met hem door, zijn verstandsvermogen is geschokt;
— laat dit maar loopen, bemoei u er maar niet verder mee;
— er loopt wel een leugentje onder, niet alles is waar;
— er loopt wat van St. Anna onder, de zaak is niet geheel zuiver;
— er zijn vele kosten op geloopen, het heeft veel geld gekost;
— zich uitstrekken, gelegen zijn: dit gebergte loopt van het oosten naar het westen; deze laan loopt dwars door het bosch; deze weg loopt naar Haarlem, geleidt, voert; door dit hout (of marmer) loopen schoone aderen, het is fraai geaderd;
— door loopen in zekeren toestand brengen of komen: hij loopt zijne schoenen scheef;
— (gew.) hij loopt een besten schoen, heeft veel kans die betrekking te krijgen;
— hij loopt het kleed kaal;
— de stad plat loopen, haar in alle richtingen doorkruisen om iem. of iets te ontmoeten;
— de deur bij iem. plat loopen, er elk oogenblik komen;
— iem. onder den voet loopen; zich moede, ziek, dood loopen; de machine loopt warm;
— (fig.) hij loopt gauw warm, hij is spoedig boos;
— zich in het zweet loopen;
— zijn ten opzichte van het loopen of beloopen: deze schoenen loopen gemakkelijk, zijn gemakkelijk om er mede te loopen;
— deze weg loopt moeilijk, is moeilijk te beloopen;
— dit biljart loopt goed, de ballen loopen er goed overheen. LOOPING, v. (w. g.) het loopen, geloop.