Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Rook

betekenis & definitie

Het begrip rook heeft 2 verschillende betekenissen:

1. rook - rook - v. (-en), grootere hooistapel: de oppers worden aan rooken gezet. ROOKJE, o. (-s).

2. rook - rook - m. zichtbare damp die bij het verbranden van lichamen opstijgt en onverbrande koolstof benevens vluchtige deelen van het verbrandende lichaam bevat: de rook stijgt omhoog; rook uit den schoorsteen, uit eene pijp, van eene sigaar, van het geschut;
— de rook bijt in de oogen, doet de oogen pijnlijk aan;
— (fig.) maak dat je uit den rook komt, blijf niet op gevaarlijke of voor u onaangename plaatsen ;
— geen rook verdragen kunnen, geen tabaksrook ;
— worst, vleesch in den rook hangen, laten berooken;
— worst, vleesch in den rook geven, bij een slager om het te laten rooken ;
— het eten smaakt naar den rook, onaangenaam bitter door den rook;
— (fig.) onder den rook van de stad wonen, in de nabijheid der stad ;
— geen rook zonder vuur, niets zonder oorzaak, er gaat geen praatje of er is wat van waar;
— al mijne hoop is in rook vervlogen, verdwenen, opgegaan, wat ik hoopte, is niet vervuld.