Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Lichaam

betekenis & definitie

LICHAAM, o. (...chamen), het lijf van menschen en dieren, dikwijls in tegenst. met geest of ziel: een gezond, sterk, welgemaakt lichaam; een ziekelijk, zwak lichaam; gezond zijn naar lichaam en ziel; de geest had het lichaam reeds verlaten;

slechts in een gezond lichaam woont eene gezonde ziel; hij zorgt slecht voor zijn lichaam;
— een lichaam zonder ziel, een mensch zonder verstand of gevoel;
— romp het hoofd van het lichaam scheiden; het lichaam van eene letter;
— alles wat onder het bereik van een of meer zintuigen valt, alles wat zicht- of tastbaar is, een naar alle zijden begrensd deel van de ruimte; regelmatige, onregelmatige licht men; organische, anorganische lichamen; vaste lichamen, hemellichamen;
— het lichaam van de spoorbaan, de aarden dam waarop het spoorbed rust;
— ook als onderdeel van het eigenlijke menschelijke lichaam bloedlichaampjes; het glasachtige lichaam, in het oog;
— vereeniging van personen vergadering, raad, genootschap enz.: het wetgevende lichaam, het lichaam van staat, raad van state, Staten-generaal.
LICHAAMPJE, o. (-s).