Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

2018-11-22

Proef

betekenis & definitie

Proef - v. (...ven), PROEVE, v. (-n), onderzoek om te zien of iets is, zooals het wezen moet: van iets eene proef nemen; iemands trouw op de proef stellen;

— ge stelt mijn geduld op eene zware proef, ge laat mij verbazend lang wachten, (ook) gij brengt mij haast tot het uiterste enz.;
— glansrijk de proef doorstaan;
— iem. op proef huren, iets op proef nemen, voorloopig en als het blijkt, dat hij (het) goed voldoet, dan voor vast;
— vuurproef, waterproef, zie aldaar;
— (rekenk.) eene bewerking om zich van de nauwkeurigheid eener andere bewerking te overtuigen : de proef op de deeling maken; de proef komt niet uit; de elfproef, negenproef, zie aldaar; eene proef geeft geen volkomen zekerheid, doch wel een hoogen graad van waarschijnlijkheid;
— (fig.) dat is de proef op de som, dat is een blijk der waarheid van het onderstelde;
— (nat.) hulpmiddel waarvan een natuurkundige zich bedient tot opsporing van verschillende natuurkundige eigenschappen; waarneming van verschillende natuurkundige verschijnselen: natuurkunde onderwijzen zonder proeven te nemen, is een onding; natuurkundige proeven in de huiskamer;
— een gedeelte van iets, waaruit men over de gesteldheid van het geheel kan oordeelen : een proefje wijn, koffie, thee;
— een proefje wijn, een fleschje van ⅛ L. inhoud;
— een proefje aardappelen, genoeg voor één maaltijd;
— om een proefje van zijn smaak, zijne denkwijze te geven; proeven van bekwaamheid afleggen;
— op de proef preeken, van proponenten, op vacante plaatsen preeken;
— smaak (inz. van wijnkoopers): hij heeft eene goede proef;
— sterkte of graad van geestrijke dranken : Hollandsche proef van 19 graden;
—merk op goud of zilver, keur;
— letterkundig opstel, verhandeling : proeve van woordverklaring, van tekstverbetering;
— blijk, bewijs, daad die voor iets getuigt: ik heb eene proef van haar trouw; eene schitterende proeve van moed en volharding;
— (drukk.) voorloopige afdruk van het zetsel, waarop na eene of meer correcties het definitieve afdrukken volgt: eene proef trekken, nalezen, corrigeeren; de eerste, tweede, derde proef.
PROEFJE, o. (-s).