Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

ZEKERHEID

betekenis & definitie

ZEKERHEID, v. veiligheid: zijn effecten in zekerheid brengen;

— gewisheid : de zekerheid, eener tijding; met zekerheid kan ik u zeggen;
hij heeft eene groote zekerheid in zijn spreken, in zijn optreden, beslistheid, vastheid;
— verzekering, onderpand, waarborg : geld leenen op zekerheid.