Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Graad

betekenis & definitie

GRAAD, m. (graden), onderdeel van de schaalverdeling van een thermometer, evenzoo van barometers, vochtmeters, vochtwegers enz.; een graad wordt aangeduid door het teeken 0 de thermometer wijst 80° Fahrenheit (d. i. naar de schaalverdeeling van F.); het is tien graden kouder dan gisteren;

— hij heeft 41° koorts, als de koortsthermometer dat aantal graden als de lichaamstemperatuur aanwijst;
— (meetk.) 1/360 deel van den cirkelomtrek of 1/90 deel van een rechten hoek: een hoek van 45 graden;
— (aardr.) '/360 deel van den evenaar of een der parallellen (lengtegraad) of van een der middagcirkels (breedtegraad) Amsterdam ligt op 53° Noorderbreedte en 4° Oosterlengte van Greenwich;
— rang, trap de vrijmetselaars onderscheiden drie graden, die van leerling, gezel en meester;
— (mil.) hij heeft den graad van sergeant-majoor;
— alle graden doorlooopen hebben, van den laagsten tot den hoogsten rang zijn opgeklommen;
— trap van bloedverwantschap of zwagerschap twee broeders bestaan elkander in den tweeden graad, ooms en neven in den derden, volle neven in den vierden;
— de overledene heeft geen nabestaanden in den erfelijken graad, binnen den graad waarop men erven kan, d. i. den twaalfden graad;
— zij bestaan elkaar in verboden graad, bestaan elkaar zoo na, dat volgens de wet een huwelijk tusschen hen onmogelijk is, of dat zij voor het bekleeden van sommige ambten of bedieningen niet tegelijk mogen aangewezen worden;
— (bij de hoogescholen) rang die na afgelegd examen, verdedigde stellingen enz. aan een studeerende wordt toegekend de graad van candidaat, van doctor in de letteren; hij heeft een academischen (of wetenschappelijken) graad;
— trap, punt, stadium in eene reeks van gebeurtenissen of eene orde van zaken bij de meeste insecten neemt men verscheidene graden van ontwikkeling waar; de vader is pedant, maar de zoon is het nog een graadje erger;
— hoogte, mate hij is in den hoogsten graad onbeschaamd;
men herhaalt deze bewerking eenige malen, naar gelang van den graad van zuiverheid dien men wenscht te verkrijgen; hij heeft typhus in een hevigen (een lichten) graad; zuinigheid en gierigheid verschillen slechts in graad, niet in wezen;
— (algebra) de graad van eene stelkunstige vergelijking wordt bepaald door den hoogsten exponent van den onbekende of van een der onbekenden; eene vergelijking van den derden graad;
— (spraakk.) een bijwoord (eene bepaling) van graad, waardoor de mate van het voorhanden zijn eener hoedanigheid of van de kracht, waarmede eene handeling plaats heeft, bepaald wordt; een bijzin van den tweeden graad, een bijzin van een bijzin. GRAADJE, o. (-s).