O betekenis & definitie

v. (-’s), 15e letter van het alphabet, — (spr.) het is eene ronde o, ‘t is zoo rond als eene o, ’t is zoo klaar als de dag, ’t is duidelijk en zeker: ‘t is eene ronde o, die tapt die moet borgen, 't is klaar en zeker, dat men de gevolgen zijner handelingen dragen moet; — ‘t is O P op, of ‘t is een O met een P op, (scherts.) de voorraad van spijs en drank, van geld of andere benoodigdheden is op of verteerd; — de gezamenlijke namen of woorden in een adres- of woordenboek, die met o beginnen: — Romeinsch cijfer voor het getal 11; — in afkortingen :

O. — Oost (windstreek); —
O. — oxygenium — zuurstof (scheik.); —
o. — onzijdig (spraakk ): —
o. a. — onder anderen; —
O. A. M. D. O. — omnia ad majorem Dei gloriam — alles ter meerdere eere Gods; —
Ob. — obiit — (hij of zij) is overleden
Obl. — obligatie; —
Oct. — October; —
O. I. — OostIndië; —
o. i. — onzes inziens; —
O. I. L. — Oostindisch Leger; —
0. L. — oosterlengte; —
0. M. — openbaar ministerie; —
0. m. — onder meer; —
Op. — opus — werk (inz. van een muziekwerk); —
Openb. — Openbaring,(van Johannes), een der bijbelboeken; —
O. P. N. — ora pro nobis — bidvoor ons; —
opm. — opmerking; —
0. S. — Oude Stijl — de Juliaansche tijdrekening; —
Os. — osmium — zie aldaar; —
0. T. — Oude Testament; —
0. V. — Oude Verbond; —
0. w. — onder wie.
0, tw. uitroep ter uiting van verrukking,

bewondering, verwondering, verbazing; van vreugde of voldoening; van smart, verdriet, pijn enz.; van angst, vrees, schrik, bezorgdheid; van verontwaardiging, toorn, gemelijkheid, ontevredenheid, ongeduld; van begeerte of wensch, die nadruk geeft aan eene opwekking of aanmaning, aan een verzoek of verlangen, enz.; van goedaardige scherts, lichten spot, speelsche ondeugendheid, schertsende opgetogenheid ; van wezenlijke of schijnbare onverschilligheid; van terechtwijzing van zichzelven, bij eene plotseling invallende gedachte, bij de herinnering aan iets dat men vergeten had; van gevoel, die nadruk geeft aan eene bewering of verzekering; meestal slechts dienende tot versterking; — vooral als versterking verbonden met andere uitroepen, of als zoodanig gebezigde uitdrukkingen, als : b. v. o foei ! o wee ! o God ! o grut! o Jezus ! o jee ! o jemenie ! o jakkes ! o ja! o neen ! —, uitroep om meer nadruk bij het spreken te geven, vooral in het gebed en bij dichters gebruikelijk: o groote God! zij ons genadig; Wat zwoegt ge, o Mensch ! naar goud of eer ?; — dikwijls gevolgd door een verkorten elliptischen volzin, een uitroep behelzende, die de oorzaak van het gevoel van verwondering, verbazing enz. aanduidt: o benijdenswaardig genot der zekere wetenschap !; o die slimme vleister !; o die Blauwbaard, die verschrikkelijke, die gruwelijke, die heerlijke Blauwbaard!; — soms met een 4en nv. verbonden: o mij, wat zal ik dan vaak bij u komen; — (als substantief), o. (-’s): eene preek met veel o’s en ach’s en wee’s.

Laatst bijgewerkt 27-09-2018