Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

ZEKER

betekenis & definitie

ZEKER, bn. bw. (-der, -st), buiten gevaar, veilig : in dat land is het niet zeker; men is hier zijn leven niet zeker; hier zijn wij zeker;

gerust, zonder zorg : om zeker te gaan; den zekeren weg kiezen;
— waaraan niet te twijfelen valt: zekere bewijzen hebben; die kenteekenen zijn zeker; het zekere voor het onzekere nemen; zeker van zijne zaak zijn;
— ik heb het uit zekere bron, van vertrouwbare zijde;
— ik ben er zeker van, ik twijfel niet meer;
— ik ben zeker van mijn volkje, ik vertrouw ze ten volle;
— zeker spreken, langzaam en beslist, (ook) temerig;
— hij is zoo zeker, het is een Jantje secuur;
— op zekeren toon mededeelen, op stelligen toon;
— het is zoo zeker als tweemaal twee vier is, het is buiten eenigen twijfel;
— vast en zeker overtuigd zijn; zeer, wel zeker, uitdrukking van bevestiging;
— een waarschijnlijk vermoeden drukt het uit in: hij dacht zeker, dat ik het niet zag; hij komt zeker weer te laat; dit is zeker te duur;
— ter aanduiding van een bepaald persoon of eene bepaalde zaak die(n) men niet nader kan of wil noemen: zeker iem. vertelde mij; ik had een zeker voorgevoel; met zekere vrees vertrok ik; op zekeren dag; vrouwen van zekeren leeftijd; in zekere stad;
— hij is op zekere plaats, op de bestekamer;
— in zekeren zin hebt gij gelijk; met zekere deftigheid iets doen;
— minachtend : zekere heeren willen altijd wat aanmerken; vrouwen van zeker slag; een zekeren toon aannemen.