Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Klaar

betekenis & definitie

KLAAR, bn. bw. (-der, -st), helder, licht, doorzichtig, doorschijnend klaar als kristal; eene klare bron; een klare hemel, onbewrolkt;

— een glas klaar water, niet troebel;
— zijn beeld staat mij nog klaar voor oogen, nog helder;
— (w. g.) klaar neteldoek, dun;
— zuiver, onvermengd het is klaar vet; in de klare boter gebakken; dat is klare onzin, louter onzin;
— klare jenever, zonder bijmengselen:
— (fig.) iem. klaren wijn schenken, iets zoo zeggen, da* geen verkeerde opvatting mogelijk is;
— dat is geen klare koffie, daar steekt wat achter;
— gemakkelijk te doorzien, duidelijk, begrijpelijk, verstaanbaar hij schrijft een klaren stijl; hij druki zich niet klaar uit; een klaar bewijs;
— (zegsw.) zoo klaar als de dag, als een klontjes volkomen duidelijk;
— dat is zoo klaar als koffiedik, zeer onduidelijk;
— gereed, geëindigd, voltooid is het eten klaar ? het werk is klaar; alles is kant en klaar;
— het verbond is klaar, gesloten; (zegsw.) van zessen klaar, zie ZES;
— (bw.) ik ben klaar wakker helder wrakker, volkomen, geheel en al.