Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Vermogen

betekenis & definitie

Het begrip vermogen heeft 2 verschillende betekenissen:

1. vermogen - VERMOGEN - (vermag, vermocht), de macht, de kracht, het recht hebben tot: God vermag alles ; ik zal doen wat ik vermag; tegen hem vermag ik niets; (bij een ernstigen zieke) de kunst vermag hier niets, de geneesmiddelen kunnen hier niets uitrichten;
— invloed hebben: zij vermag veel bij hem ;
— kunnen : zij vermocht niet te komen.

2. vermogen - VERMOGEN - o. (-s), macht, gezag, bevoegdheid : ik zal doen wat in mijn vermogen is ;
— zielskracht, gave des verstande, zielsvermogen: het vermogen om te denken; die jongen heeft goede vermogens, kan goed leeren, denken;
— , gmv. rijkdom, bezitting, geld: zijn vermogen wordt op 3 ton geschat; iem. van vermogen, iem. die rijk is;
— capaciteit: het vermogen eener rivier, hoeveelheid water die in zekere tijdseenheid afvloeit; het vermogen eener sluis, hoeveelheid water die in zekere tijdseenheid er door vloeien kan ; het vermogen eener machine.