Wat is de betekenis van Kracht?

2024-02-28
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

kracht

kracht - Zelfstandignaamwoord 1. (natuurkunde) een uitwendige oorzaak die ongehinderd door andere krachten de bewegingstoestand van een lichaam verandert Volgens Newton is F gelijk aan het product m·a, waarbij F de kracht voorstelt, m de traagheid van het lichaam en a de versnelling van de beweging e...

2024-02-28
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

kracht

kracht - zelfstandig naamwoord 1. hoe sterk het is ♢ ik heb veel kracht in mijn armen 1. in de kracht van je leven [in je beste tijd] 2. met vereende krachten ...

2024-02-28
Bridge Opzoekboek

drs. Toine van Hoof (2017)

kracht

Aanduiding voor het bezit van hoge kaarten, zowel gezegd van een kleur (bv. hartenkracht) als van een gehele hand.

2024-02-28
Wielersportwoordenboek

Jan Luitzen (2009)

kracht

(de; -en) SP 1- fysiek vermogen, sterkte van het lichaam of een deel ervan: hij heeft veel kracht (macht) in zijn benen; explosieve kracht of snelkracht, de mogelijkheid om bij snelle bewegingen een zo groot mogelijke kracht te ontwikkelen; het in het begin van de race op het vlakke stuk met zijn krachten smijten kostte hem tijdens de slotklim de o...

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-28
Atletiek- en turnwoordenboek

Jan Luitzen (2008)

kracht

(de; -en) I)SP - fysiek vermogen, sterkte van het lichaam of een deel ervan: explosieve kracht of snelkracht, de mogelijkheid om bij snelle bewegingen een zo groot mogelijke kracht te ontwikkelen; zijn krachten meten met iem. is de essentie van sport, zien wie de sterkste is, met hem strijden. 2 SP - elke oorzaak die in staat is een lichaam te verp...

2024-02-28
Sport en beweging

Margreet Weide (2006)

Kracht

De vaardigheid van het neuro-musculaire systeem om uitwendige weerstanden: 1. te overwinnen (concentrische kracht); 2. tegen te werken (excentrische kracht); 3. vast te houden (isometrische kracht). Bij concentrische spiercontractie wordt de spierlengte bij samentrekking (contractie) korter (‘de weerstand wordt ‘overwonnen”), bij...

2024-02-28
Vloeken lexicon

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg (1997)

kracht

De eedformule bij de kracht (van Gods bevel) kon ijdel gebruikt worden en zich vervolgens ontwikkelen tot stopwoord en uitroep van woede en andere frustratie en irritatie. Hetzelfde geldt voor bij Gods heilige krachten, bij Gods kracht en by de hemelsche krachten. Ook komt in de 17de eeuw by myn kracht voor. Deze eedform...

2024-02-28
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

kracht

kracht - Een werking of invloed (zoals een duw of trek) op een vrijstaand lichaam die voornamelijk leidt tot een versnelling van het lichaam en soms tot een elastische deformatie of andere effecten.

2024-02-28
Encyclopedie voor Zelfstudie

drs. L.A. Beeloo (1981)

Kracht

Elke beweging (ook een richtings- dan wel snelheidsverandering van een beweging) heeft haar oorzaak. Deze oorzaak wordt in de natuurkunde kracht genoemd. De eenheid hiervan is de newton. De grootte van een kracht wordt met een veerbalans of een dynometer vastgesteld.

2024-02-28
Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Uitgeversmaatschappij A. Manteau N.V. (1954)

Kracht

absolute —, zie spieren.

2024-02-28
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Kracht

s., krêft, macht, sterkens, helm, mânskens, blâns, foarsens, dregens, furt, deugd, formogens, pl.; geringe —, minmânskens; grotere —, oerkrêft; met volle —, út ’e, yn ’e, mei fûle foarsje; — in de armen, earmsterkens; het gaat boven...

2024-02-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Kracht

v. (-en), 1. physiek vermogen, sterkte van het lichaam of een deel er van van mensen en dieren : hij bezit vooral veel kracht in zijn armen ; behendigheid gaat voor kracht ; zijn kracht is gebroken ; zijn krachten verspillen’, met kracht op iets drukken, sterk drukken; zijn krachten nemen met de dag af, hij verzwakt zeer...

2024-02-28
De Kleine Winkler Prins

Winkler Prins (1949)

Kracht

(1), oorzaak van de verandering der beweging van een lichaam (dynamische werking); (2) oorzaak van de vormverandering (deformatie) en de daarmede samenhangende spanningen van een lichaam (statische werking). Een kracht is een vector, d.w.z.: zij is slechts volledig bepaald door aangrijpingspunt, richting en grootte.

2024-02-28
Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

KRACHT

(1 natuurkunde). Volgens de wet der traagheid behoudt elk voorwerp, aan zichzelf overgelaten, de bewegingstoestand, die het heeft, d.w.z. het blijft in rust of heeft een eenparige rechtlijnige beweging. Voor elke verandering der beweging, zowel in grootte als in richting, is dus een oorzaak nodig; deze oorzaak noemt men kracht. Als een kracht op ee...

2024-02-28
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

kracht

v. -en; 1. sterkte, vermogen; ook van abstracte begrippen: de krachten der natuur; zwaartekracht; denkkracht, geestkracht; met volle kracht, met halve kracht; 2. lichaamskracht: de kracht van een paard, van een mens; sterven aan verval van krachten, uitputting; 3. deugdelijkheid, werking: de kracht van een geneesmiddel; 4. geweld: met kracht op de...

2024-02-28
Encyclopedie voor Iedereen

John Kooy (1933)

Kracht

oorzaak v. beweging of verandering v. beweging.

2024-02-28
Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Kracht

1° Wijsgeerig. Overeenkomstig de inzichten van de Aristotelisch-Thomistische wijsbegeerte is elk werken, dat uitgaat van de stoffelijke dingen, een „actueeren” of tot werkelijkheid brengen van een of anderen aanleg of potentie. Verder ligt, volgens diezelfde philosophie, één der wezenskenmerken van alle zijnswerkelijkh...

2024-02-28
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

kracht

v. (-en; -je) I. Eig. 1. Algm. vermogen om iets te verrichten: men onderscheidt fysieke en geestelijke -en. 2. Inz. a. fysiek vermogen van levende wezens om iets te verrichten : de van de mens, van een paard om arbeid te verrichten; verval van -en; weer bij -en komen; de -en terugwinnen; alle -en inspannen; zijn -en verspillen; zijn -en met iema...

2024-02-28
Algemeen Technisch woordenboek

H.J. van Eyk (1916)

Kracht

Is de oorzaak van eene verandering in den bewegingstoestand van een lichaam of elke invloed die daarin verandering tracht te brengen.

2024-02-28
Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Kracht

Kracht. Bij elke bewegingsverandering van een stoffelijk punt neemt men aan, dat een k. werkzaam is, die steeds werkt in de richting der verandering. Is de beweging rechtlijnig, doch niet eenparig, dan werkt de k. in de richting der beweging. Heeft een stoffelijk punt een eenparige rechtlijnige beweging, dan neemt men aan, dat de beweging haar onts...