Kracht
v. (-en), 1. physiek vermogen, sterkte van het lichaam of een deel er van van mensen en dieren : hij bezit vooral veel kracht in zijn armen ; behendigheid gaat voor kracht ; zijn kracht is gebroken ; zijn krachten verspillen’, met kracht op iets drukken, sterk drukken; zijn krachten nemen met de dag af, hij verzwakt zeer...