Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bezit

betekenis & definitie

BEZIT, o. het houden of genieten eener zaak, welke iemand in persoon, of door een ander, in zijne macht heeft, alsof zij hem toebehoorde; in het ongestoord bezit van iets zijn;

— iets in bezit nemen, zich iets toeëigenen;
— iets in bezit hebben; *t is in mijn bezit, ik heb het; *t bezit van iets is nog geen eigendomsrecht;
— iemands bezit, zijn vermogen;
— ik weet niet hoe dat boek in mijn bezit gekomen is; gezondheid is een onschatbaar bezit.