Wat is de betekenis van klaar?

2020
2022-08-16
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Klaar

Waarschijnlijk een mannelijke vorm van Clara.

2018
2022-08-16
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

klaar

klaar - bijvoeglijk naamwoord 1. er hoeft niets meer aan gedaan te worden ♢ al het werk is klaar 1. al is het nog zo kant en klaar, het hapert toch wel hier en daar (TB) [er mankeert altijd wel iets aan]...

Lees verder
2008
2022-08-16
Atletiek- en turnwoordenboek

Atletiek- en turnwoordenboek door Jan Luitzen

klaar

→ startcommando

1998
2022-08-16
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Klaar

1. daar ben ik mooi - mee: daar zit ik dan mee opgescheept. Clichégezegde. 2. - naar huis, onder havenarbeiders een slanguitdr. voor ‘vroeger naar huis’ (door het opjagen van het arbeidstempo). Specifiek Rotterdams. Als we voortmaken dan is ’t klaar naar huis jongens, zei de mee naar beneden gekomen dokwerker. (Ben Borgart: De slakken van Canêt d’...

Lees verder
1973
2022-08-16
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

klaar

bn. en bw. (-der, -st), 1. helder, lichtend, stralen: zo — als de zon; niet mat of dof: klare ogen; het klare blauw van de hemel; 2. licht, niet (meer) donker; niet verduisterd: op de klare dag; weer, niet nevelig; een klare lucht, onbewolkt; bep. van gesteldheid: zijn beeld staat mij nog voor ogen; (gew.) ik begin er in te zien, er gaat me...

Lees verder
1964
2022-08-16
voornamen

Voornamenboek

Klaar

m Waarschijnlijk een m. vorm van Clara. Aangetroffen in Scheveningen (vader en zoon). Vgl. Ned. L. 1962, 338.

Lees verder
1952
2022-08-16
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Klaar

adj.; (helder), klear, helder, glier; volkomen(van de lucht), sa klear as in gril, grilklear; (duidelijk), biskieden, biskie(den)lik, dúdlik; (gereed) klear, ré; in één keerzijn, mei ien sé oan lân wêze; — liggen, foar de g...

Lees verder
1950
2022-08-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Klaar

I. bn. bw. (-der, -st), 1. helder, lichtend, stralend: zo klaar als de zon; (bw.) klaar blinken; — niet mat of dof: klare ogen; het klare blauw van de hemel; 2. licht, niet (meer) donker; niet verduisterd: de klare zonneschijn; op de klare dag; het is klaar dag; klaar weer, niet nevelig; een klare lucht, onb...

Lees verder
1937
2022-08-16
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

klaar

klaarder, -st; Lat. clarus, Fr. clair; I. bn. (1 luisterrijk; het tegenovergestelde van dof of mat; 2 helder licht; niet [meer of nog) donker of duister; 3 niet door iets verduisterd wordende of zijnde; 4 het licht doorlatende; doorluchtig, doorschijnend; 5 rein, schoon, zuiver; 6 duidelijk; 7 vrij, bevrijd van hetgeen hinderen of belemmeren kan; i...

Lees verder
1898
2022-08-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Klaar

KLAAR, bn. bw. (-der, -st), helder, licht, doorzichtig, doorschijnend klaar als kristal; eene klare bron; een klare hemel, onbewrolkt; — een glas klaar water, niet troebel; — zijn beeld staat mij nog klaar voor oogen, nog helder; — (w. g.) klaar neteldoek, dun; — zuiver, onvermengd het is klaar vet; in de klare boter geba...

Lees verder
1898
2022-08-16
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Klaar

zie Begrijpelijk, zie Helder.

1856
2022-08-16
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Klaar

b.n. - Wordt van een schip gezegd, dat gereed is gemaakt om te vechten; ook van ieder voorwerp, dat by de hand is om gebruikt te worden. Als bw. komt het in verscheiden scheepskommandoos voor: klaar om te wenden! (maakt u gereed, om het schip te doen wenden.) Klaar by het anker (om het anker te werpen.) Klaar by de marszeilsvallen! Klaar by de scho...

Lees verder