Wat is de betekenis van Helder?

2019
2022-01-22
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

helder

helder - Bijvoeglijk naamwoord 1. klaar, doorzichtig de vloeistof was volkomen helder 2. duidelijk en zuiver de weergave van de geluidsinstallatie was prachtig helder 3. met sterke glans Zij werden verrast door een ...

Lees verder
2018
2022-01-22
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

helder

helder - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: hel-der 1. zonder stof, viezigheid of vlekken ♢ Wijna heeft altijd een heldere keuken 2. goed te snappen ♢ hij hield een helder betoog voor winkelsluiti...

Lees verder
2016
2022-01-22
Culinair van a tot z

Culinair van a tot z

helder

Betekent letterlijk: niet troebel.

1993
2022-01-22
Peter Timofeeff

Prisma van het Weer

Helder

Term die kan voorkomen in een weersverwachting. De term is de nachtterm voor weinig bewolking, met als toevoeging dat het zicht goed moet zijn. Voor overdag wordt de term zonnig gebruikt. Zie ook: terminologie Zie ook: zonneschijnterm

Lees verder
1980
2022-01-22
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Helder

Johannes (‘Johs.’); geb. Ten Boer io juli 1842, overl. Utrecht 19 juli 1913. Werkte eerst in Rotterdam tot 1897, vertrok toen naar Leiden. Schilderde interieurs en genretaferelen. Leerling van Jozef Israels ?Tentoonstellingen Amsterdam, Den Haag en Rotterdam 1864-1896: de inkwartiering; de morgenstond; het beloofde geschenk; gestoord...

Lees verder
1973
2022-01-22
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

helder

bn. en bw. (-der, -st), 1. duidelijk en zuiver, met sterke boventonen klinkend, klaar: zij heeft een heldere stem; een heldere lach; 2. onverduisterd in schijn of glans, klaar (van licht of kleur): een heldere vlam; — maanlicht; (bw.) met sterke glans: het vuur brandt —; de zon schijnt —; iets in een — licht plaatsen, het v...

Lees verder
1952
2022-01-22
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Helder

adj. & adv., helder, klear, dúdlik; (van de lucht), gril, grilklear; (van hoofd), skrander, goed by de tiid, by it spul; niet, niet ergzijn, net, heal by ’t spul, by jins spullen wêze; — maken, forklearje; — branden, fûl, lûd baerne.

1950
2022-01-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Helder

bn. bw. (-der, -st), 1. duidelijk en zuiver, met sterke boventonen klinkende, klaar : zij heeft een heldere stem ; een heldere lach ; — (als bw.) zij zong helder uit de borst; klinkt helder op, gebeeldhouwde sonnetten (Perk) ; 2. onverduisterd in schijn of glans, klaar (van licht of kleur) : een heldere vlam ; het hel...

Lees verder
1937
2022-01-22
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

helder

bn., bw.; helderder, -st; 1. klankvol: heldere tonen, sonoor; helder klinken, niet dof; 2. glanzend, klaar, licht: een heldere dag, een heldere lucht, niet betrokken; die lamp brandt helder; zijn ogen staan helder, niet dof; helder water, niet troebel; fig. iets in een helder licht plaatsen, volkomen duidelijk maken; 3. ook fig. duidelijk; scherpzi...

Lees verder
1916
2022-01-22
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Helder

Helder - of Den Helder, gem. op de Noordelijke punt van Noord-Holland, groot 4463 H.A., met 31.000 inw. Zij strekt zich in het W. langs de Noordzee uit, waartegen zij door duinen is beschermd ; in het N. ligt zij langs het Marsdiep en in het O. aan de Zuiderzee. De gem. bevat de stad Den H. (28.000 zielen, waaronder 3000 man aan boord der schepen)...

Lees verder
1898
2022-01-22
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Helder

HELDER, bn. bw. (-der, -st), luid, duidelijk klinkende, klaar zij heeft eene heldere stem; een heldere lach; — schitterend, glanzend, klaar (van licht of kleur): eene heldere vlam; het heldere maanlicht; heldere oogen; eene heldere streep aan den hemel; eene heldere kleur; er zindelijk en frisch uitziende een heldere vloer; helder linnengoed;...

Lees verder
1898
2022-01-22
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Helder

zie Begrijpelijk.

1870
2022-01-22
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Helder

Helder (De), de noordelijkste gemeente van het vaste land van Noord-Holland, is de hoofdplaats van een kanton en bevat, behalve het dorp van dien naam, aan liet Marsdiep gelegen, het Nieuwe Diep of Willemsoord, het dorp Huisduinen aan de Noordzee en het meer zuidelijk gelegen Koegras. Voorheen was door verstuiving der duinen tusschen Huisduinen en...

Lees verder
1869
2022-01-22
Geographisch

Geographisch-woordenboek

Helder

of Den Helder, vlek of stad op den noordelijksten uithoek van Noord-Holland, aan het Marsdiep; 12,000 inw.; een half uur gaans van daar de belangrijke zeehaven Nieuwediep (zie dat art.); ter hoogte van H. 1653 de zeeslag tusschen de Hollanders en Engelscben, waarin Tromp sneuvelde; 1799 was H. een oogenblik bezet door de Engelscben, doch werd hun s...

Lees verder