Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Stok

betekenis & definitie

Stok - m. (-ken), stengel, dunne houtige stam van struiken en heesters; plant met zulk een stam : wijnstok, rozenstok, stokroos ;

afgesneden rechte lange stam of tak;
— (gew.) ik kan wel een stok in mijn keel steken, ik heb niets te eten ;
— lang, cilindervormig stuk hout, tot verschillende doeleinden gebezigd, inz. tot steun bij het gaan of om te slaan: hij nam zijn stok en hoed en ging weg; wandelstok met gouden knop; op zijn stok leunen;
— (fig.) hij is mijn stok en staf, mijn steun en hulp ;
— een oude stok, een stokoud man, afgeleefd grijsaard ;
— ouderdom : om d'ouden stok te voen;
— schermen op korten of langen stok ; iem. met zijn stok dreigen, slaan;
— (spr.) met iem. aan den stok raken, twist, ruzie, oneenigheid met iem. krijgen; het met iem. aan den stok krijgen, hebben;
— hij gaf mij dadelijk stok en bal in de hand, ik kon dadelijk twist met hem krijgen, zoo scherp waren zijne woorden;
— polsstok: spring niet verder, dan uw stok lang is, onderneem niets boven uwe krachten;
— kippenstok, roest: met de kippen op stok gaan, vroeg naar bed gaan; eene kip op stok, een meisje dat gekamerd zit;
— (gew.) de kinderen zijn weer op stok, druk, roerig, lastig ;
— houten steel: bezem-, anker-, vlaggestok; duimstok, maatstok;
— zekere maat: een stok turf, een stok linnen, met den stok verkoopen, in ’t openbaar, bij opbod ;
— stang : een stok lak;
— (in gevangenissen) een houten blok waarin misdadigers tot straf met de beenen gesloten werden ; de gevangenis zelf: iem. in den stok zetten;
— uitgehold blok hout, tot bijenwoning dienende, ook iedere andere bijenkorf : bijenstok ;
— eene verzameling bij elkander behoorende dingen: eierstok;
— (kaartsp.) de kaarten die na het rondgeven overblijven en waarvan (in vele spelen) de speler zooveel nemen of koopon kan als hij van de zijne uitspeelt: hoeveel kaarten liggen er op stok ? ;
— (gew.) een geheel spel kaarten. STOKJE, o. (-s), kleine stok;
— (spr.) ergens een stokje voor steken, maken dat iets geen voortgang meer heeft;
— alle gekheid op een stokje, ter zijde gelaten ;
— (gemeenz.) van zijn stokje vallen, flauw vallen, buiten kennis raken.