Wat is de betekenis van hoen?

2020
2021-09-22
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

hoen

Het begrip hoen heeft 3 verschillende betekenissen: 1) hoendervogel. meestal op de grond scharrelende en broedende vogel uit de zeer uitgebreide orde van hoendervogels waarvan vele soorten een wat plompe bouw en stevige looppoten hebben en vaak ook worden gefokt voor het vlees en de eieren. 2) kip. kip van het mannelijk of vrouwelijk...

Lees verder
2019
2021-09-22
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

hoen

hoen - Zelfstandignaamwoord 1. (vogels) Galliformes een meest op de grond levende vogel

Lees verder
2018
2021-09-22
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

hoen

hoen - zelfstandig naamwoord 1. vrouwelijke vogel, die eieren legt ♢ een kip hoort tot de familie van de hoenderen 1. zo fris als een hoentje [heel fit en fris] Zelfstandig naamwoord: hoen ...

Lees verder
2016
2021-09-22
Culinair van a tot z

Culinair van a tot z

hoen

Verzamelnaam voor gevogelte dat thuishoort in de hoenderhof. Voor culinair gebruik is alleen van belang de kip, de korhoen, de huishoen, de kapoen (= gecastreerde haan), de kalkoen, de parelhoen, de tamme duif en de tamme eend.

2004
2021-09-22
vogelnamen

Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen

Hoen

mv. Hoenders Algemene naam voor de leden van de familie der Tetraonidae =Ruigpoothoenders (o.a. het Korhoen behoort hiertoe) (1) (2) alle leden van de orde der Galliformes, waartoe naast de Ruigpoothoenders bijv. ook de familie der Phasianidae (=Fazanten) behoort; (3) het tamme Hoen, het Huishoen, oftewel de Kip Gallus gallus forma domesticus; (4...

Lees verder
1994
2021-09-22
Lexicon Nederland en België

Lexicon van de geschiedenis van Nederland & België

Hoen

Hoen, Pieter 't, Nederlands journalist en schrijver, *18.8.1745 Utrecht, +9.1.1828 Amersfoort. 't Hoen was een van de leiders van de → patriotten en van 1780 tot 1787 redacteur van het bekendste patriottische tijdschrift De Post van den Neder Rhijn. In 1787 week hij uit naar Frankrijk. Na de Bataafse omwenteling in 1795 werd hij secretaris generaal...

Lees verder
1973
2021-09-22
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

hoen

o. (-ders, -deren), 1. in een deel van het Ned. taalgebied het gewone woord voor kip, hen; een jong —, een gebraden hoentje; met de hoendertjes naar het rek gaan, met de kippen op stok, vroeg naar bed gaan; zo fris als een hoentje, gezond en levenslustig; 2. hoender (→hoenderachtigen); 3. (jagersterm) patrijs.

Lees verder
1952
2021-09-22
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Hoen

s.n., hin.

1950
2021-09-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Hoen

o. (-ders, -deren), 1. kip, hen, het tamme hoen ('Gallus domesticus); — een jong hoen; een gebraden hoentje ; — met de hoendertjes naar het rek gaan, met de kippen op stok, vroeg naar bed gaan ; — zo fris als een hoentje, gezond en levenslustig; 2. (mv.) de Hoenders, een familie (Phasanidae)...

Lees verder
1916
2021-09-22
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Hoen

Hoen - tiembang of mata, Ned.-Ind. gewichtsmaat = 0,386 gram.

1898
2021-09-22
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Hoen

HOEN, o. (-ders, -deren), benaming voor de hoenderachtige vogels (gallus): de fazanten worden gerekend tot de hoenders; het Numidische hoen, het parelhoen (numida cristata); (inz.) het tamme hoen (gallus domesticus); — kip, hen: een jong hoen; een gebraden hoentje; — met de hoendertjes naar het rek gaan, met de kippen op stok, vroeg na...

Lees verder