Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hemelsch

betekenis & definitie

HEMELSCH, bn. bw. wat tot den hemel behoort, van of uit den hemel: de hemelsche Vader, God; de hemelsche gelukzaligheid; de hemelsche machten;

— rein, van een goddelijken glans vervuld hemelsche oogen;
— een hemelsch huwelijk, volkomen gelukkig;
: verrukkelijk, goddelijk ’t is eene hemelsche verschijning, van eene schoone vrouw gezegd zij heeft eene hemelsche stem; ’t is hemelsch weer, verrukkelijk weer; het Hemelsche Rijk, China; zoon van het \ Hemelsche Rijk, Chinees;
— bw. op hemelsche wijze : hemelsch kijken, met van gelukzaligheid stralende oogen;
— verrukkelijk, heerlijk het smaakt hemelsch; ’t is hemelsch mooi.