Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Glans

betekenis & definitie

GLANS, m. (-en), schittering, schijnsel: de glans der sterren; de zilveren glans der maan; het lampje verspreidde een dauwenglans;

— spiegelende reflexie van het licht aan gladde oppervlakten de glans van gepoetste schoenen, gepolijste metalen, geboende meubelen; de glans van satijn, van zijde;
— hij liet zich door den glans van het goud verblinden, bezweek voor de verleiding van den rijkdom;
— oogen zonder glans. die dof, lusteloos staan;
— er kwam een glans op zijn gezicht, zijn gelaat verhelderde; met een glans van genoegen, van tevredenheid op het gelaat; GLANSJE, o (-s), er zit geen glansje op (van meubels b. v.), het glimt volstrekt niet;
— luister: eens zal de waarheid zich aan ons in al haren glans openbaren; zij kwam binnen in al den glans van schoonheid en gezondheid;
— praal, pracht, weelde de glans van het hof; ijdele glans, nietige schijn, ijdele praal; uiterlijke praal en glans;
— wereldsche eer, aanzien, glorie: de glans van een geslacht, van een naam;
— met glans, met eere: hij is die moeilijkheden met glans te boven gekomen: ik heb de weddenschap met glans gewonnen; hij heeft mei glans examen gedaan, een schitterend examen afgelegd;
— (ironisch) met glans zakken, een zeer slecht examen doen:
— een middel om te doen blinken of glimmen, glansmiddel, poetsgoed: glans voor hoedenmakers; vooral in samenst. glasglans, kachelglans, stijfselglans.