Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Oogen

betekenis & definitie

(oogde, heeft geoogd), de oogen slaan, aandachtig of scherp kijken: de kinderen oogden hunkrend naar de taart; op een doel oogen, mikken; op iets bedacht zijn, naar iets streven: verblinden die op dank of loon of lofspraak oogt;

— (w. g.) oog hebben, er goed uitzien: die donkere japon voor dat jonge meisje
— dat oogt niet.