Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heilige

betekenis & definitie

HEILIGE, m. en v. (-n), (R. K.) iem. die door zijn (of haar) vroomheid en goede werken heeft uitgemunt en daarom na zijn dood heilig verklaard is, sint: God en zijne heiligen aanroepen; de gemeenschap der heiligen;

— iem. die een vroom, godgewijd leven lijdt: den heilige uithangen;
— hij is ook geen heilige, hij is ook niet volmaakt, vergist zich ook wel eens;
— het is een luie heilige, een groote luiaard;
—een wonderlijke heilige, een rare snuiter;
— hij is geen heilige; hij zal geen roode letter in den almanak krijgen, gezegd van iemand die niet al te deugdzaam is;
— een heilig of heiligje, prentje dat een heilige voorstelt, als belooning voor kinderen; (bij uitbr.) schoolprent en (gew.) kaft om een boek.